is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven volgt, wat alleen met zijn karakter strookt, gevoelt hij zich toch, voornamelijk op bijzondere oogenblikken en gemoedsstemmingen, geneigd tot een geheel tegenovergesteld streven, onvereenigbaar met het eerste, en dat, wanneer hij zich ongestoord op dat eerste wilde toeleggen, vooraf volkomen onderdrukt zou moeten worden,

Want, evenals onze physieke weg op de aarde slechts een lijn, en geen oppervlakte is, zoo moeten wij in het leven, wanneer wij het ééne willen aangrijpen en bezitten, ontelbaar andere zaken rechts en links laten liggen.

Kunnen wij daartoe niet besluiten, maar grijpen wij, evenals kinderen op een kermis, naar alles wat in het voorbijgaan onze aandacht gaande maakt, dan is dit een verkeerd streven, om de lijn van onzen weg in een oppervlakte te willen veranderen, wij loopen dan zigzagsgewijze, dwalen dan naar deze, dan naar gene zijde af, en geraken in werkelijkheid tot niets.

Of, om een andere gelijkenis te gebruiken: evenals, volgens de Rechtsleer van Hobbes, iedereen oorspronkelijk op ieder ding een recht heeft, maar op geen enkel een uitsluitend, en dit laatste toch op enkele dingen verkrijgen kan, door van zijn recht op alle anderen afstand te doen, — terwijl de anderen ten opzichte van het door hem gekozene hetzelfde doen — evenzoo is het in het leven, waar wij een of ander streven, zij het dan naar genot, of eer, of rijkdom, of naar kunst, of wetenschap, of deugd, alleen dan met ernst en met succes kunnen achtervolgen, wanneer wij al wat daaraan vreemd is, laten varen, en van al het overige afstand doen.

Daarom is het enkele willen en het kunnen op zichzelf nog niet toereikend, maar de mensch moet ook roeten wat hij wil, en weten wat hij kan; eerst dan zal hij karakter toonen, en eerst dan zal hij iets goeds tot stand brengen.

Alvorens hiertoe te geraken, is hij, afgezien van de natuurlijke consequentie van het empirische karakter, toch karakterloos; en ofschoon hij zich over het geheel getrouw zal blijven en zijn baan moet doorloopen, door zijn demon geleid, zal hij toch geen lijnrechte, maar een ongelijke lijn beschrijven, zwenken, afwijken, omkeeren, en zich smart en spijt op den hals halen: dat allés, omdat hij, in het groot en in het klein, zooveel als den mensch mogelijk en bereikbaar is, voor zich ziet en toch niet weet, wat daarvan alleen goed en uitvoerbaar, ja zelfs alleen maar genietbaar voor hem is.

Hij zal daarom menigeen benijden wegens een toestand of een verhouding, die toch slechts aan diens karakter en niet