is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het zijne passen, en waarin hij zich ongelukkig zou gevoelen, ja zelfs het niet zou kunnen uithouden.

Want zooals de visch zich slechts in het water, de vogel alleen in de lucht, de mol alleen onder de aarde, op zijn plaats gevoelt, zoo ieder raensch alleen in de hem eigene atmosfeer, zooals b. v. de hoflucht niet voor iedereen in te ademen is.

Uit gebrek aan voldoende inzicht in dit alles zal menigeen allerlei vruchtelooze pogingen aanwenden, zal zijn karakter in afzonderlijke gevallen geweld aandoen, en over het geheel het toch weder moeten volgen; en wat hij aldus, tegen zijn natuur, met veel moeite bereikt, zal hem geen genot verschaffen; wat hij aldus leert, zal een doode letter voor hem blijven; ja ten opzichte van het ethische zal zoo iemand door eene, niet uit een zuivere rechtstreeksche drijfveer, maar door een uit een begrip, een dogma voortvloeiende, en voor zijn karakter te edele daad, en door aan een egoïstisch gevoel van spijt toe te geven, alle verdiensten verliezen, zelfs in zijn eigen oogen. Veile non disatur, het willen wordt niet aangeleerd!

Zooals wij ons van de onbuigzaamheid van een vreemd karakter eerst door de ondervinding gewaar worden, en om zoo te zeggen het kinderlijk geloof koesteren, dat wij door redelijke voorstellingen, door bidden en smeeken, door voorbeelden en edelmoedigheid, iemand er toe kunnen brengen, dat hij zijn wijze van handelen late varen, zijn doen en laten verandere, van zijn denkwijze afziet, of zelfs zijn talenten vermeerdere, zoo gaat het ook ons zeiven. Wij moeten eerst door de ondervinding leeren, wat wij willen en wat wij kunnen; tot dan toe weten wij het niet, zijn wij karakterloos en moeten vaak door harde stooten van buitenaf weder op onzen eigen weg teruggeworpen worden.

Maar hebben wij dit eindelijk geleerd, dan hebben wij bereikt, wat men in de wereld karakter noemt, n.1. het aangeworven karakter. Dit is dan niets anders dan de zoo volmaakt mogelijke kennis der eigen individualiteit; het is het abstracte, en daarom duidelijk weten van de onveranderlijke eigenschappen van zijn eigen empirisch karakter en van de maat en de richting zijner geestelijke en lichamelijke vermogens, dus van de geheele samenstelling der krachten en zwakheden der eigene individualiteit.

Dit stelt ons in staat, de in zichzelf eenmaal onveranderlijke rol van de eigene persoonlijkheid, die wij voorheen zonder regel naturaliseerden, nu bezonnen en stelselmatig door te voeren, in leemten, welke daarin door grillen of zwakheden