is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb, om dan door een daarbij gevoegd „heid", wat tegenwoordig een bezondere eepvonm moet hebben en daardoor in velerlei gevallen uit den nood helpen, en door een ernstig gezicht te doen gelooven, dat ik door deze drie woorden uit te spreken meer gedaan zou hebben, dan drie zeer omvangrijke en abstracte, en diensvolgens volstrekt geen inhoudrijke begrippen aangeven, die een zeer verschillenden oorsprong en beteekenis hebben.

Wie onder hen, die zich met de geschriften onzer dagen eenigermate vertrouwd gemaakt hebben, begint deze drie woorden, op hoe voortreffelijke zaken zij oorspronkelijk ook wijzen, eindelijk niet vervelend te vinden, na duizenden keeren te hebben moeten ondervinden, dat zelfs degene die het meest ongeschikt tot denken is, met wijd geopenden mond en de trekken van een begeesterd schaap met deze drie woorden durft te schermen, om groote wijsheid gesproken te hebben ?!....

Het begrip goed is naar zijn wezen betrekkelijk en duidt aan: het aangepast zijn van een object aan een of ander streven van den wil. Dus alles wat met den wil in een zijner uitingen strookt, zijn doel vervult, wordt door het begrip goed gedacht, hoe verschillend het overigens ook zijn moge. Daarom zeggen wij: goed eten, een goede weg, goed weder, goede wapenen, goed voorteeken, enz. kortom, wij noemen alles goed, wat juist zoo is, zooals wij het willen; waarom dan ook voor den een goed kan zijn, wat voor den ander het tegendeel is.

Het begrip van het goede kan in twee lagere soorten gesplitst worden: namelijk dat van het onmiddellijk tegenwoordige en dat van de slechts middellijk in de toekomst plaats hebbende bevrediging van den wil, d. w. z. het aangename en het nuttige.

Het begrip van het tegendeel wordt, zoolang er van nietkennende wezens sprake is, uitgedrukt door „slecht" zeldzamer en abstracter door „kwaad" wat dus alles aanduidt hetgeen niet strookt met het streven van den wil.

Zooals alle andere wezens, die in betrekking tot den wil kunnen komen te staan, heeft men ook menschen die aan een gewenscht doeleinde gunstig, bevorderlijk of bevriend waren, goed genoemd, in dezelfde beteekenis terwijl er steeds het betrekkelijke bij behouden bleef, hetgeen duidelijk aan het licht komt in het gezegde : „Dit is goed voor mij, niet echter voor u."

Diegenen echter, wier karakter met zich medebracht, om over het algemeen het streven van den wil van anderen als zoodanig niet te hinderen, maar veeleer te bevorderen, en die dus