Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzelfde, namelijk een finale bevrediging van den wil, waarna geen nieuw willen meer plaats heeft, een laatste motief, dat, wanneer het eenmaal bereikt is, een onverstoorbaar genot van den wil verschaft.

Volgens onze beschouwingen in dit (vierde) boek is zooiets niet denkbaar. De wil kan evenmin door bevredigd te zijn, ophouden steeds weder opnieuw te willen, als de tijd eindigen of beginnen kan; een duurzame vervulling van den wil, die zijn streven voor altijd bevredigt, bestaat voor hem niet. Hij is gelijk aan het vat der Danaïden; er bestaat voor hem geen hoogste goed, geen absoluut goed, maar steeds een betrekkelijk gedeeltelijk goed.

Wanneer men er intusschen prijs op stelt, om aan een van oudsher bestaande uitdrukking, welke men uit gewoonte, niet raadzaam acht af te schaffen, evenals aan een emeritus, een eereambt te geven, dan kan men in figuurlijken zin, de geheele zelfopoffering en afstand van den wil, de ware willeloosheid, die alleen den wilsdrang voor altijd stilt en voldoening schenkt, alleen die tevredenheid verschaft, welke niet meer verstoord kan worden, alleen van de wereld losmaakt — het absolute goed, summum bonum noemen, en hem als het eenige radicale geneesmiddel beschouwen van de ziekte, tegenover welke alle andere goederen slechts palliatiefmiddelen, slechts anodyna zijn.

In dezen zin komen het grieksche rekss en het latijnsche finis bonorum, nog beter met de zaak overeen. Dit over de woorden goed en kwaad; nu ter zake.

Wanneer een mensch steeds geneigd is, onrecht te bedrijven, zoodra er aanleiding toe bestaat en geen uiterlijke macht er hem van afhoudt, dan noemen wij hem slecht.

Volgens onze opvatting van het onrecht beteekent dit, dat zulk een mensch niet alleen met den wil tot het leven, zooals deze in zijn lichaam te voorschijn treedt, instemt, maar hierin zoo ver gaat, dat hij den in andere individuen te voorschijn tredenden wil miskent; dit openbaart zich hierdoor, dat hij hun krachten ten dienste van zijn wil opeischt en hun bestaan tracht te vernietigen, wanneer zij zich verzetten tegen het streven van zijn wil.

De allerlaatste bron hiervan is een hoogere graad van egoïsme waarvan wij het wezen hierboven uiteengezet hebben.

Twee dingen komen hier tegelijkertijd aan het licht: eerstens, dat zich in zulk een mensch een buitengewoon krachtige wil tot het leven, die verre de instemming met zijn eigen lichaam overtreft, openbaart; en tweedens, dat zijn kennis, die

Sluiten