is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel en al gevestigd is op het beginsel der voldoende reden, en zich uitsluitend bezighoudt met het principium individuationis, staan blijft bij het algeheele onderscheid tusschen zijn eigen persoon en alle anderen, dat door dit laatste gemaakt wordt, daarom zoekt hij alleen zijn eigen welzijn en toont hij zich volkomen onverschillig voor dat van alle anderen, wier wezen hem veeleer geheel vreemd is en gescheiden van het zijne door een diepe klove, ja, die hij eigenlijk slechts beschouwt als maskers, zonder eenige werkelijkheid. Deze twee eigenschappen zijn de voornaamste elementen van het slechte karakter.

Iedere groote heftigheid van den wil is, aan en voor zich en rechtstreeks een voortdurende bron van lijden. Eerstens, omdat alle willen, als zoodanig, voortspruit uit een gebrek (een behoefte) en dus uit een lijden.

Tweedens, omdat door het oorzakelijk verband der dingen, de meeste verlangens onvoldaan moeten blijven, en de wil veel vaker onvervuld blijft, dan bevredigd wordt; daarom brengt hevig en veel willen steeds hevig en veel lijden met zich mede.

Want alle lijden is inderdaad niets anders dan onbevredigd en onvoldaan willen; en zelfs de smart van het lichaam, wanneer dit gewond of gekwetst wordt, is als zoodanig alleen mogelijk, doordat het lichaam niets anders dan de object geworden wil zelf is.

Daar nu veel en hevig lijden onafscheidelijk is van veel en hevig willen, draagt de gelaatsuitdrukking van zeer slechte menschen het stempel van inwendig lijden, zelfs dan wanneer zij althans voor een oogenblik niet opgeruimd zijn, of een valsch uiterlijk aannemen.

Uit deze uitwendige kwaal, die geheel en al en rechtstreeks tot hun wezen behoort, spruit ook de, niet uit louter egoïsme voortvloeiende, maar onbaatzuchtige vreugde in het lijden van anderen voort, wat de eigenlijke boosaardigheid vormt, en zich tot wreedaardigheid kan verergeren.

Voor dezen is het lijden van anderen geen middel meer om het doel van hun eigen wil te bereiken, maar het doel zelf.

Dit verschijnsel wordt op de volgende wijze nader verklaard.

Daar de mensch een openbaring van den wil is, die door de duidelijkste kennis verlicht wordt, geeft hij steeds de voorkeur aan de werkelijke en gevoelde bevrediging van den wil boven de enkel mogelijke, welke de kennis hem voorhoudt.

Hieruit ontstaat de nijd; iedere ontbering wordt oneindig