is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigermate verontschuldigt is een schijn van recht; in zooverre namelijk, dat dezelfde daad, die nu wraak is, een straf en dus een recht zou zijn, wanneer zij op wettige wijze, d. w. z. volgens een vooraf bepaalden en bekenden regel, en in een gemeenschap, die haar gesanctionneerd heeft, voltrokken wordt.

Behalve de beschreven smart, die met de boosheid uit een zelfden wortel — hier den zeer intensieven wil — ontstaat en daarom van hem onafscheidelijk is, gaat zij bovendien nog vergezeld van een geheel verschillend en bijzonder lijden, dat bij iedere slechte handeling — hetzij deze enkel ongerechtigheid zij uit egoïsme, hetzij zuivere boosheid — gevoeld wordt,

en volgens zijn duur gewetensknaging of gewetensangst heet.

♦ *

*

Alvorens over te gaan tot eenige korte verklaringen betreffende de tot hiertoe aangehaalde wijsgeerige stellingen van Schopenhauer, zal het wellicht niet van nut ontbloot zijn, in eenige trekken de geheele samenvatting van Schopenhauers wijsbegeerte in haar grondlijnen uiteen te zetten.

Wij moeten hiervan zelfs de noodzakelijkheid betoogen, daar de weinige aangehaalde passages volstrekt niet voldoende en niet in staat zijn om ons een juist inzicht te geven in de verbazend omvangrijke geestesproducten van den wijsgeer, waarin tevens niet zelden belangrijke tegenstrijdigheden aan te wijzen zijn, en die zoozeer afwijken van vele andere wijsgeerige stelsels: natuurphilosophie, geestesphilosophie, openbaringsphilosophie, enz.

Schopenhauer gaat dan uit van het beginsel dat geen object zonder subject, en de wereld slechts onze voorstelling is, d. w. z. alleen voor deze voorstelling een object, en wel een werkelijk is.

Schopenhauer gaat niet uit van den geest, zooals Kant en de meeste wijsgeeren van de kritische richting; hij maakt niet, evenals zij, een onderscheid tusschen een theoretische en een practische rede. Voor hem is de wil alles, het absolute, zooals de absolute geest voor Hegel alles was. Hij plaatst dan ook den wil verre boven het intellect. Kant beschouwde het „ding aan zich" als den onkenbaren drager en de eigenlijke kern van de geheele wereld der verschijnselen; Schopenhauer plaatst het wezen der dingen daarentegen in den wil die ons door innerlijke waarneming bekend wordt, zooals ons eigen wezen zich in ons zeiven openbaart als wil.