Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle willen vloeit voort uit een behoefte, dus uit een gebrek, waarover de kennis smart gevoelt, ieder verlangen is diensvolgens een smart, daar het een streven van den wil ist naar iets wat hij nog niet bereikt heeft; is het verlangen echter eenmaal vervuld, dan dagen er weder nieuwe verlangens op, die op hun beurt smart veroorzaken, zoolang zij niet vervuld zijn, of verveling, wanneer de wil zijn doel bereikt heeft.

Zelfs het genot van het schoone in de kunst, kan slechts op voorbijgaande wijze de smart als het ware bedriegen, haar voor eenige oogenblikken lenigen, en doen vergeten dat het leven evenals de wil tot het leven een voortdurend lijden is. Het eenige middel dus om zich van deze smarten en van het lijden dat haar veroorzaakt te bevrijden, is de zelfverloochening van den wil, de afstand van den wil tot het leven, daar beiden onafscheidelijk vereenigd zijn.

Kan de mensch hiertoe niet geraken, dan blijft hij slingeren tusschen deze uitersten van smart en verveling en is de wil onafgebroken onderworpen aan alle ellenden van het bestaan. In deze overdreven pessimistische opvattingen teekenen zich duidelijk de melancholische trekken van Schopenhauer's karakter af.

De geheele ethica van den wijsgeer draagt nagenoeg hetzelfde stempel, als dat wat wij in de vorige uiteenzettingen ontdekken. Zij is namelijk geheel gebaseerd op het medelijden, dat berust op de gelijkstelling van onzen eigen wil met dien van anderen.

Bij de smarten, welke den mensch het leven vergallen, en die haar oorsprong vinden in den eigen wil, in den onleschbaren dorst naar bevrediging van alle verlangens, voegt zich dus nog de smart, welke wij, door het medelijden, gevoelen over het lijden en het leven van anderen.

Dit medelijden is hem echter tevens het eenige middel, het middel bij uitnemendheid, om den mensch tot goede handelingen te bewegen en daarin te doen volharden.

Alle goede daden, welke het individueele en het maatschappelijk leven in stand houden of veraangenamen, vloeien voort uit deze eenige bron; de rechtvaardigheid en onbaatzuchtigheid, de eerbied en menschlievendheid en alle andere dader , die er, op welke wijze ook toe bijdragen om de smarten, welke de wil tot het leven in de individuen veroorzaakt, te lenigen, zijn als het ware de bloemen en de vruchten van den boom van het medelijden.

Dit medelijden kan in sommige individuen tot een buiten-

Sluiten