Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid heeft opgevoerd, is hem het nirvana van den boeddhist; als zoodanig wordt deze rust zelfs onbewust, vereischt niet meer het stellen van een actieve daad, maar wordt als het ware een passieve eigenschap, die den wil in dien eenmaal verworven staat bevestigt.

* *

*

Nadat wij in deze korte hoofdlijnen de algemeene en hoofdzakelijkste ideën van Schopenhauer's wijsbegeerte voorgesteld hebben zullen wij ons meer in het bijzonder aan eenige beschouwingen overleveren, aangaande het gedeelte van Schopenhauer's werk, betreffende de aanneming en de verloochening van den wil tot het leven, wat wij hierboven weergegeven hebben.

De hooge waarde der soorten, en de uiterst geringe waarde der individuen voor de natuur — het tegenwoordige, als zijnde de eenige vorm of realiteit des levens, en niet het verleden of de toekomst, waarvan het eerste gewoonlijk met veel lijden en smarten en ellenden gevuld is geweest, en de laatste meestal niet veel goeds te verwachten geeft, — de instemming van den wil met het leven, of de afstand ervan, — de vrijheid van den wil, — het medelijden, de spijt, de vrije keuze, waardoor de mensch zich zoozeer van het dier onderscheidt, — eindelijk de verschillende gezichtspunten, waaronder het menschelijk karakter beschouwd kan worden, zijn de talrijke en veelomvattende ideën, die in het aangehaalde gedeelte overvloedige stof tot overdenken aanbieden.

Kant stelde, om zijn stoffelijke wereld op te bouwen, een reeks van categorieën op; Schopenhauer daarentegen wijkt hierin volkomen van hem af, en tracht dit te doen met zijn drie elementen van ruimte, tijd en oorzakelijkheid (causaliteit). Het noumenon van Kant, het eigenlijke object der kennis, het «ding aan zich", is voor Schopenhauer de wil.

Tusschen dezen wil, en het begrip van ruimte en dat van tijd neemt Schopenhauer geen metaphysisch onderscheid aan. Zijn wereld is onbegrensd in tijd en ruimte, en alleen wil; niet door het verstand brengt hij een natuur voort uit de zinnelijke wereld, maar alleen door den wil; hij stelt ons zijn wereld als een wil voor, die aan alles het bestaan geeft.

Terwijl hij in zijn bewustzijn een onafgebroken reeks van toestanden ontdekt, die onophoudelijk verwisselen, bemerkt hij dat er op iederen nieuwen toestand, die hetzij door vreugdevolle, hetzij door smartelijke omstandigheden in het leven

Sluiten