Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geroepen wordt, steeds een willen volgt. Deze wil is oorzaak van de verschillende bewegingen die in zijn lichaam tot stand komen. Is het een gevaar, dat hem bedreigt, dan spoort zijn wil aanstonds zijn lichaam aan dit te ontloopen; dreigt hij in de golven om te komen, dan brengt zijn wil hem er toe, door middel van zwembewegingen zijn leven te redden; heeft hij er kennis van gekregen, dat er op deze of gene plaats een kostbare schat verborgen ligt, dan snelt hij naar de bewuste plek, om hem op te delven.

Deze zelfde verschijnselen ontdekt Schopenhauer niet alleen in zichzelf, maar ook in andere wezens, die met hem de aarde bevolken, hetzij zij menschen zijn, hetzij dieren. Bij allen bespeurt hij een innerlijk leven van den wil, dat aan de uitwendige verschijnselen voorafgaat, en dat dit leven leeft volgens de voorstellingen die in het bewustzijn aanwezig zijn, of daar binnen gebracht worden door uitwendige inwerkingen of invloeden.

Maar niet alleen in de levende, georganiseerde wezens ontdekt Schopenhauer dezen wil, en zijn levensverschijnselen, ook in de levenlooze natuur, in alle voorwerpen, in de geheele wereld, bespeurt hij bewegingen, een drang, een streven van verschillende krachten naar verschillende doelwitten, die hij als wilsuitingen beschouwt.

Zoo, de werkingen der natuurkrachten, der zwaartekracht, de inertie, de verschijnselen der scheikundige verbindingen of ontledingen, enz. alles is voor hem een verschijnsel van een innerlijken wil.

Niet alleen dus de verschijnselen en voorstellingen die wij in ons zeiven waarnemen, maar ook die welke de geheele wereld ons te aanschouwen geeft, verschijnen in de ruimte en in den tijd, en door den wil.

Yan hieruit tot de stelling dat de geheele wereld slechts één, groote, onbegrensde wil is, waarvan de werkelijk bestaande dingen slechts uitwendige verschijnselen zijn, is slechts één stap.

Wij moeten ons dus den wil, zooals Schopenhauer hem opvat, niet voorstellen op een kras materieele wijze, als een stof die aan veranderingen onderhevig is, zooiets als een materia prima, waarvan de werkelijk bestaande dingen de vorm zouden zijn; maar toch wil Schopenhauer de werkelijkheid van dezen wil, die in de natuur alles verlevendigt en alles voortbrengt niet ontkend zien.

„Nu is Schopenhauer — zegt Möbius (Ueber Schopenhauer) —

Sluiten