Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer trotsch op zijn grondstelling en hij beroemt er zich op, met haar te bereiken, wat geen begrippen-combinatie der vroegere philosophie ooit bereikt heeft. Het wonderlijke is echter, dat Schopenhauer gelooft, dat die nauwe poort, die onderaardsche weg tot het begrip der dingen het eerst door hem ontdekt is geworden, daar anders geen dieren- of menschenleven mogelijk zou zijn. Beschouwden wij de anderen niet als aan ons zeiven gelijk, hoe konden wij dan leven?! De waarheid is, dat Schopenhauer's philosophie de oudste, de meest oorspronkelijke, en naïefste vorm van het denken is, de egomorphie, wanneer men het zoo noemen mag.

De naïeve mensch onderscheidt zich echter hierdoor van Schopenhauer, dat hij geen onderscheid maakt tusschen zijn wil en zijn lichaam, en rechtstreeks tegenover zijn eigen willen, het willen van anderen, dat zich bij de waarneming aan hem voordoet, plaatst. Daar hij in zichzelf niets anders dan den wil ontdekt, moet hij natuurlijk aannemen, dat alles wil is, en dat de werkelijkheid, de geheele samenvatting van alle verschijnselen of de wereld, met zijn eigen werking overeenkomt.

Dier en mensch wenden instinktmatig het grondbeginsel aan: „De wil is het ding aan zich" en philosopheeren ondanks Schopenhauer. Met andere woorden: de natuurlijke wijze van kennis, waarvoor wij, als bewijs, de spraak hebben, en de metaphysieke wijze van kennis zijn dezelfde. Het klinkt wonderlijk, maar is letterlijk waar; dat ik geloof aan de ziel van mijn broeder, is een metaphysieke kennis, want de geheele physica zou mij haar niet kunnen laten ontdekken, zij ligt buiten de grenzen der natuur, buiten het bereik van alle ervaring; de metaphysica is noodzakelijk voor het leven, zoowel in natuurlijken als in geestelijken zin; de mensch leeft niet van physica alleen.

De metaphysica bestaat niet uit louter onwaarschijnlijkheden; haar grondbeginselen bezitten dezelfde zekerheid als iedere andere wetenschap, want waarvan zijn wij inniger overtuigd dan van de ziel onzer medemenschen, ofschoon wij haar niet zien, en haar bestaan niet (rechtstreeks) kunnen bewijzen. Op gelooven berust alles, ons instinktmatig als waar beschouwen, zoowel als onze meest gewone opvatting."

Wat nu echter onbegrijpelijk is, wat Schopenhauer bovendien alleen beweert, maar nergens tracht te bewijzen, en wat hem ten slotte aanleiding heeft gegeven en zelfs oorzaak is geworden, dat hij ongemerkt het woord wil in een dubbele

Sluiten