is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis gebruikt heeft, en daardoor in tegenspraak met zichzelf is gekomen, is zijn splitsing van den menschelijken geest in: wil en intellect.

Door den wil als het „ding aan zich" te beschouwen, en de verschijnselen van den wil als de objecten der waarneming, had hij natuurlijkerwijze een diepe klove tusschen beiden geslagen ; de wil werd als het ware absoluut gescheiden van de waarneming, van het kennen; ofschoon wij ons niet kunnen voorstellen hoe het waarnemen tot stand kan komen zonder den wil.

Nadat hij echter eenmaal deze scheiding tusschen willen en waarnemen had opgezet, moest hij, om aan zichzelf consequent te blijven, deze scheiding ook voortzetten in de vermogens des geestes, en vond hij, — wij mogen wel zeggen: voor eigen gemak! — de splitsing in Wil en Intellect uit.

„De grondstelling van mijn leer — zoo verklaart Schopenhauer — waardoor zij tegenovergesteld is aan alle anderen, bestaat in de volkomen scheiding van den wil van het kennen, die beide door al de philosophen, die mij vooraf zijn gegaan, als onafscheidelijk beschouwd werden; ja zij meenden den wil zelfs bepaald door de kennis, die de grondstof zou zijn van ons geestelijk wezen, en noemden hem meestal een bloote functie.

Deze scheiding echter, deze splitsing, van het zoolang ondeelbaar gebleven Ik of der ziel, in twee heterogene bestanddeelen, is voor de wijsbegeerte hetzelfde, wat de ontleding van het water voor de scheikunde geweest is, al werd deze eerst later gekend. Bij mij is het eeuwige en onvernietigbare in den mensch, — dat daarom ook het levensbeginsel in hem vormt, — niet de ziel, maar om mij een uitdrukking der scheikunde te veroorloven, de radicaal der ziel, en deze is de wil. De zoogenaamde ziel is reeds samengesteld; zij is de vereeniging van den wil met het vou?, het Intellect. Dit Intellect is het secundaire, het posterius van het organisme, en wordt, als een eenvoudige hersenfunctie, door hem bepaald. De wil daarentegen is primair, is het prius van het organisme, dat door hem bepaald wordt."

Wij gelooven, zonder vrees voor tegenspraak te mogen beweren, dat men niet kan willen zonder te kennen, en dat dus de wil niet kan gescheiden worden van het intellect. De wil sluit in zich, in zijn wezen, noodzakelijkerwijze, de eigenschap van op eenigerlei wijze tot activiteit over te willen gaan, en dat Schopenhauer den wil werkelijk in dezen zin