is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatte, bewijst geheel zijn wijsgeerig stelsel waarin hij uit den wil de geheele bestaande werkelijkheid laat doen ontstaan. Opdat de wil echter een daad kunne stellen, n.1. tot activiteit kunne overgaan, moet deze daad gekend worden, opdat, behoudens een gelukkig toeval, de daad niet mislukke of droevige, of ongewenschte, of verkeerde gevolgen na zich sleepe. Zoo veronderstelt de wil dus op de alleerste plaats een voorstelling, welke dan ook, waardoor wij ons alreeds aanstonds op het terrein der waarneming, der ervaring, der kennis, van het intellect bevinden. Deze voorstelling wekt instemming of afkeer, liefde of haat, vreugde of smart, vrees of verwachting en volgens deze gewaarwording, welke de wil noodzakelijkerwijze te danken heeft aan het Intellect, stelt hij de daad, of laat hij haar achterwege.

Na dit alles laat zich de meer practische vraag stellen naar de vrijheid van dezen wil in den mensch, om namelijk de daden welke zijn wil goed- of afkeurt, al dan niet te stellen. Ten opzichte van deze vraag geven wij er de voorkeur aan, een der beste kenners der Schopenhauersche wijsbegeerte, de reeds meer vermelde Dr. P. J. Möbius, te laten oordeelen.

Hij bespreekt namelijk de opvattingen van Schopenhauer omtrent de vrijheid van den wil, in aansluiting met zijn bekroond geschrift op de prijsvraag van de Noorweegsche academie.

Schopenhauer vraagt zich af, „of de vrijheid van den wil — aldus Möbius — uit het bewustzijn kan bewezen worden. Daarom moet hij vooraf uiteenzetten, wat vrijheid is, en noemt dus drie soorten van vrijheid: le. de physieke vrijheid of de afwezigheid van dwang bij het handelen, of wel de mogelijkheid om te handelen overeenkomstig den wil; T. de intellectueele vrijheid, of de mogelijkheid tot een wilsbeslissing, overeenstemmend met de eigen natuur, door normalen toestand van het intellect, dat de motieven aangeeft; 36. de moreele vrijheid, of de mogelijkheid, om in een gegeven geval op verschillende wijzen te willen.

Hier moet de opmerking bijgevoegd worden, dat in de plaats van de intellectueele vrijheid de psychologische vrijheid te stellen is. Schopenhauer gaat uit van de splitsing van het Ik in willen en intellect, en schuift bij geestesziekten, bij een toestand van bewusteloosheid, en bij overweldigende aandoeningen, de schuld op het intellect, en ontkent de mogelijkheid van een ziekelijken staat van den wil.

Wij hebben er hier een uitstekend voorbeeld van, dat de gebrekkige psychologie van Schopenhauer overal waar zij aan-