is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezens een prikkel, en na het intreden van het intellect ten slotte een motief wordt. Tegen deze opvatting van Schopenhauer moeten wij het een en ander opwerpen.

Schopenhauer beweert, dat de wet der causaliteit, waarvan wij ons a priori bewust zijn, ons zegt, dat alle dingen der wereld zonder uitzondering aan haar onderworpen zijn, dat het slechts veranderingen geldt, dat iedere verandering tot een oneindige reeks van oorzaken en gevolgen behoort, en dat na de oorzaak, het gevolg noodzakelijkerwijze moet intreden. Vanwaar weet hij dit alles? Volgens zijn eigen leer is de causaliteit een leiddraad van het verstand, waarlangs het verstand bij een gewaarwording tot het besluit komt, dat zij een oorzaak moet hebben. Niets meer en niets minder!

Maar op welke wijze deze preciese wet uit dit instinct gedistilleerd wordt, zegt Schopenhauer niet. Kon men 't hem vragen, dan zou hij wellicht antwoorden: ik gevoel mij, na rijpelijk overleg, genoodzaakt, de causaliteit op die wijze op te vatten, als hierboven gedaan is; wanneer ik echter niet anders kan, dan betreft het hier een kennis a priori.

Het is duidelijk dat deze subjectieve noodzakelijkheid de deur opent aan allerlei dwalingen, want niemand kan zeggen op welke wijze zij ontstaan is.

Inderdaad is de door Schopenhauer geformuleerde wet der causaliteit met alle zekerheid geen oorspronkelijk eigendom van den geest, maar de wetenschappelijke ervaring heeft er toe geleid, het zoo op te vatten, omdat aldus een niet tegenstrijdige rangschikking der ervaringen alleen mogelijk is.

Zou iemand hiertegen willen opwerpen, dat de causaiiteitswet van Schopenhauer toch onmiddellijk als waar gevoeld wordt, dat zij onzen geest als het ware tegemoet komt, dan kunnen wij dit toegeven, maar aan zulk een gevoel kan dan toch zeker niet veel belang gehecht worden.

De hoofdzaak is, dat de wet inderdaad waar is, en door tallooze ervaringen een van de zekerheid niet te onderscheiden waarde verkregen heeft.

Wij kunnen dus in zooverre met Schopenhauer instemmen, als toegegeven kan worden, dat de wet alle verschijnselen in de natuur, en dus ook de handelingen der menschen onder een wet verbindt, en dat dus, bij een volledige kennis der voorwaarden, de handelingen van een mensch met evenveel zekerheid berekend kunnen worden, als een maansverduistering.

Hier moet echter Schopenhauer's afleiding van de wet der motivatie gegispt worden, een opmerking, die op gelijke wijze