Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer Schopenhauer spreekt van wetten der motivatie, geldt het de toepassing van het causaliteits-beginsel, dat door de uitwendige ervaring gewonnen en getoetst wordt, op de innerlijke ervaring, en niet een vierden wortel of een beginsel, dat haar ter zijde geplaatst zou kunnen worden.

Door de samensmelting der uitwendige en der innerlijke ervaring wordt ook de wijze toegelicht, waarop Schopenhauer over de natuurkrachten spreekt. Het is niet juist, dat deze door de waarneming gegeven zijn; de waarneming levert niets dan de wetten der veranderingen, de natuurkrachten zijn metaphysieke hypothesen.

Of een philosoof in de natuur den wil ontdekt, of een natuuronderzoeker qucilitates occullae, hij noeme haar dan zwaartekracht of levenskracht, het geldt hier steeds de metaphysiek.

Wie heeft ooit de zwaartekracht waargenomen?

Wetenschappelijk beschfeuwd is de zwaartekracht niets anders dan een hulpbegrip, bestemd om bepaalde soorten van bewegingen bijeen te vatten.

Zij is ontstaan met het oog op onze gewaarwordingen, en volgens de vroegere opvatting was zij inderdaad een hypostase, een duister streven, waarvan de materie bezield moet zijn.

Dat menige natuurkundige, die van de stof en haar krachten spreekt, ook heden nog een plompe soort van metaphysica huldigt, doet niets ter zake. Een philosoof moet hem daarin echter niet navolgen, maar veeleer nauwkeurig onderscheiden waar de natuurwetenschap ophoudt en waar de metaphisica een aanvang neemt.

Voorts moeten wij de leer van Schopenhauer omtrent de veranderlijkheid van het karakter bestrijden. Goed beschouwd, stelt hij haar slechts op, en vervangt het gebrek aan bewijzen door een aantal bevestigingen en verzekeringen, waaraan hij waarde tracht te hechten door ze met den grootst mogelijken nadruk uit te spreken.

Het wijzen op de ervaring kan hier toch slechts beteekenen, dat de mensch in den regel geen algeheele fundamenteele verandering van karakter ondergaat. Dit zal ook echter geen verstandig mensch beweren, wanneer men pathologische toestanden buiten rekening laat.

De vraag is, of een karakter tot op een zekere hoogte veranderd kan worden. Hiertegenover zijn verwijzingen naar spreekwoorden (wie eenmaal gelogen heeft, wordt nooit meer geloofd) of naar dichterlijke uitspraken, naar de gedragingen van menschenkenners, enz. geheel en al onvoldoende.

Sluiten