is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuurlijk geeft ook Schopenhauer toe, dat de mensch in gelijke omstandigheden niet altijd hetzelfde doet, maar dan heeft het intellect zich gewijzigd, de beoordeeling der verhoudingen is eene andere geworden.

Hier stuiten wij echter weder op de oude kwaal: kon Schopenhauer toch maar eens in enkele afzonderlijke gevallen aanwijzen, waar de wil zich van het intellect afscheidt!

Dezelfde Schopenhauer die hier ter wille van de ervaring, aan een metaphysisch vooroordeel den hals breekt, heeft zoo voortreffelijk over het onderscheid der leeftijden geschreven, en met nadruk verklaard hoe verschillend de mensch is en ook handelt volgens den leeftijd, welke hij heeft bereikt! Volgens Schopenhauer behoort de geslachtsdrift ook tot den wil: is dan de mensch, wanneer zijn geslachtsdrift uitgedoofd is, veranderd of niet?

Ook de pathologie kan men tegen Schopenhauer aanvoeren, daar vergiften en in het algemeen ziekten, alle graden van wijzigingen in een karakter kunnen veroorzaken, en aldus de mogelijkheid der verandering bewijzen. Wij moeten inderdaad niet uit het oog verliezen, dat Schopenhauer's verzekering omtrent de onveranderlijkheid van het karakter, die hij ondanks alle ervaring onophoudelijk herhaalt, een werkelijk gevaarlijke leer is, en velen er ongetwijfeid door geschaad zijn geworden...

... Ook tegen de zedenleer van Schopenhauer zou men op verschillende plaatsen opwerpingen kunnen maken, in hoofdzaak echter moet men met hem instemmen. Zijne opvattingen behooren ongetwijfeld tot het beste wat ooit over moraal geschreven is geworden. Zij die na hem gekomen zijn, hebben op den door hem opgeworpen grondslag voortgewerkt en zijn hem daarom dank verschuldigd. Een zoo afbrekende kritiek als die van Eduard von Hartmann schijnt mij onrechtvaardig en het slot ervan vindt ik zeer afkeurenswaardig (Phaenomenologie des sittlichen Bewustseins, 1879, pag. 240). Hartmann betitelt zijn verhandeling: „Moraalprinciep van het Medegevoel".

Dit geeft aanleiding tot de veronderstelling, alsof Schopenhauer het medelijden tot een beginsel zou verheven hebben, ongeveer op deze wijze: Handel in alle gevallen, zooals uw medelijden u voorschrijft.

Schopenhauer's beginsel luidt echter: „Neminem laede, imo omnes quantum potes juva." („Kwets niemand, maar sta hem zelfs bij zooveel u mogelijk is"). Het medegevoel is slechts de laatste grondslag, de bron der moraal.

Hartmann noemt Schopenhauer's opvatting eenzijdig en