is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenzoo kan men liefde gevoelen voor een kunstvoorwerp, voor een godsidee. In het laatste geval verschaft de gedachte aan God, geluk; de ziel smacht er naar, zich uit de bedrijvigheid der wereldsche zaken terug te trekken, en zich in gebeden uit te storten, d. w. z. bezig te zijn met de gedachte welke zij bemint.

Spreekt men nu van algemeene liefde tot de menschen, of zelfs van liefde jegens vijanden, dan wordt het begrip volkomen gewijzigd. Dat iemand alle menschen bemint, in denzelfden zin als hij zijn naaste bemint, is een onzinnigheid, want liefde beteekent juist, den een niet zoo opvatten als den ander, den een de voorkeur geven boven den ander, omdat wij hem liever mogen lijden dan den andere.

Dat iemand echter, zonder egoïstische bijbedoelingen, vreugde kan smaken bij den aanblik van zijn vijand, schijnt mij bepaald iets onzinnigs. Met alle menschen, ook met onze vijanden, kunnen wij medegevoelen, zoodat wij hen niet alleen niet zullen benadeelen, maar zelfs trachten hen te bevoordeelen naar ons vermogen; hen beminnen kunnen wij echter niet.... Alle drijfveeren of gevoelens, die door hun gehalte aan medegevoel in relatie staan tot de moraliteit, kon Schopenhauer gerust voorbijgaan.

Daarentegen mist men werkelijk een uiteenzetting over de zucht naar vergelding, die als wraak met het recht, en als dankbaarheid met de liefde verwant, en toch zelfstandig is.

Weliswaar zou de voltooiing van zijn beschouwingen geen groot voordeel aangebracht hebben, daar de zucht naar vergelding, ondanks haar historische beteekenis, onvruchtbaar is voor de hoogere ontwikkeling en om zoo te zeggen een bijkomende drijfveer is.

Wanneer Hartmann Schopenhauer's leer als gevoels-moraal aanvalt, als een lageren trap, die wijken moet voor de moraal der rede, kan hij dit toch niet verdedigen. Ieder gevoel kan in begrippen omgezet worden, maar aan iedere begrippen-combinatie ligt geen gevoel ten gronde.

De meeste philosophen en moralisten zijn uitgegaan van begrippen, en blijven steken in begrippen. Schopenhauer's verdienste bestaat juist hierin, dat hij afdaalde tot den grondslag der moraal en in het medegevoel den hoeksteen van zijn gebouw vond. Men kan echter niet zeggen, dat hij den hoeksteen voor het geheele gebouw aangezien heeft. Zijn doel was, den grondslag na te sporen; voor het overige kon hij zich tot vingerwijzingen bepalen.

9