Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil aanwezig is, aan dezen dienst te onttrekken, d. w. z. zijn persoon, zijn willen, zijn doel volkomen uit het oog te verliezen, zich tijdelijk van zijn eigen persoonlijkheid volkomen te ontdoen, om als zuiver kennend subject, met helderen blik op de wereld, over te blijven; en dit niet voor eenige oogenblikken, maar zoo voortdurend en met zooveel bewustheid, als noodig is, om het opgenomene door overlegde kunst weder te geven, en „hetgeen er in een onbestemd verschijnsel zweeft, in een blijvende gedachte vast te stellen."

Opdat het genie in een individu uitblinke, schijnt hem een graad van kenvermogen ten deel gevallen te moeten zijn, die verre overtreft hetgeen er vereischt wordt ten dienste van een individueelen wil, welk vrij geworden overschot van kennis nu een object, vrij van wil, en een heldere spiegel van het wezen der wereld wordt.

Hierdoor wordt in geniale individuen de levendigheid verklaard, welke somtijds tot rusteloosheid stijgt, daar het tegenwoordige hun zelden kan voldoen, omdat het hun bewustzijn niet vult; dit stort hun dat rustelooze streven, dat onophoudelijk zoeken naar nieuwe, en de beschouwing van waardige objecten in; voorts ook dat bijna nooit bevredigde verlangen naar wezens die hun gelijken, en hun gewassen zijn, aan wie zij zich kunnen mededeelen, terwijl de gewone sterveling door het gewone tegenwoordige volkomen voldaan en bevredigd wordt, daarin opgaat, en daarom ook overal zijns gelijke aantreffend, dat bijzondere behagen vindt in het dagelijksch leven, dat den genius ontzegd is.

Als een wezenlijk bestanddeel der genialiteit heeft men de verbeeldingskracht genoemd, ja deze somtijds met haar vereenzelvigd: het eerste met recht, het laatste ten onrechte.

Daar de objecten van het genie als zoodanig de eeuwige ideën, de standvastige wezenlijke vormen der wereld en van al haar verschijnselen zijn, maar de kennis der idee noodzakelijk aanschouwelijk en niet abstract (afgetrokken) is, zou de kennis van den genius beperkt zijn tot de ideën der objecten, die aan zijn persoon werkelijk tegenwoordig zijn, en tevens onafhankelijk van de aaneenschakeling der omstandigheden, waardoor zij hem aangebracht worden, wanneer de verbeeldingskracht zijn horizon niet ver over de werkelijkheid zijner persoonlijke ervaring uitstrekte, en hem niet in staat stelde, uit het eeuwige, wat onder zijn werkelijke waarneming valt, al het overige op te bouwen, en aldus bijna alle mogelijke vormen van het leven voor de oogen zijns geestes voorbij te laten trekken.

Sluiten