is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen zijn de werkelijke objecten bijna altijd slechts zeer gebrekkige exemplaren van de ideën die zich in hen vormen; derhalve heeft de genius de verbeeldingskracht noodig, om in de dingen niet datgene te zien, wat de natuur werkelijk gevormd heeft, maar hetgeen waarnaar zij gestreefd

heeft te vormen, doch wegens den onderlingen strijd

hunner vormen niet tot stand heeft gebracht. Later, bij de beschouwing der beeldhouwkunst, zullen wij hierop terugkomen.

De verbeeldingskracht verwijdt dus den gezichtskring van den genius buiten de objecten, die zich in de werkelijkheid aan zijn persoon voordoen, zoowel volgens de kwaliteit als volgens de quantiteit. Dit is de reden, waarom een ongewoon sterke verbeeldingskracht de genialiteit vergezelt, jazelfs door haar geëischt wordt.

Omgekeerd echter wordt de verbeeldingskracht niet voortgebracht door het genie; hoogst ongeniale menschen kunnen integendeel veel verbeeldingskracht bezitten.

Want zooals men een werkelijk object op twee tegenovergestelde wijzen beschouwen kan; zuiver objectief, geniaal, alleen de idee er van opnemend; of algemeen, alleen in zijn verhouding tot andere objecten en tot den wil zelf overeenkomstig het beginsel der voldoende reden, zoo kan men ook zulk een verbeeldingsvoorstelling op beide wijzen beschouwen; op de eerste wijze beschouwd, is het een middel om de idee te kennen, waarvan de mededeeling het kunstwerk is; in het tweede geval wordt de verbeeldingsvoorstelling aangewend om luchtkasteelen te bouwen, die het egoïsme en eigen grillen bevredigen, en voor het oogenblik misleiden en vergenoegen, waarbij van de aldus aaneengeschakelde verbeeldingsvoorstellingen eigenlijk altijd alleen haar relatiën gekend worden.

Hij die zich hierin verlustigt, is een phantast; hij zal de voorstellingen, waarin hij zich verlustigt, in de werkelijkheid vermengen en daardoor voor haar niet deugen; hij zal de tooverbeelden van zijn phantasie misschien nederschrijven, zooals ze gegeven worden door de gewone romans van allerlei soort, die zijn gelijken en het groote publiek onderhouden, terwijl de lezers zich in de plaats van den held droomen en daarna de voorstelling zeer „karakteristiek" vinden.

De gewone mensch, die fabriekswaar der natuur, zooals zij ze dagelijks bij duizenden voortbrengt, is, zooals reeds gezegd werd, althans onafgebroken, niet in staat tot een in alle opzichten volkomen belangelooze beschouwing welke het eigenlijke wezen van het beschouwd kunnen worden is; hij kan