is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook vindt men, zooals bekend is, zelden een groote genialiteit gepaard aan overheerschende bezadigdheid; veeleer zijn, omgekeerd, geniale individuen dikwijls onderhevig aan heftige aandoeningen en onredelijke hartstochten. De oorzaak hiervan is toch geen zwakte der rede, maar deels een ongewone energie van het geheele wilverschijnsel, dat de geniale individu is, en zich door heftigheid bij alle wilsacten uit, deels door overwicht iler beschouwende kennis door de zinnen en het verstand over de abstracte, vanwaar de besliste richting op het aanschouwelijke, waarvan de uiterst krachtige indruk de kleurlooze begrippen zoozeer bij hen overtreft, dat niet meer dezen, maar die indruk het handelen bestuurt, wat daardoor juist onredelijk wordt; daarom is de indruk van het oogenblik zeer machtig op hen, en sleept hen mede tot onoverlegde daden, tot aandoeningen en tot hartstocht.

Daarom ook en niet minder omdat hun kennis zich ten deele aan den dienst van den wil ontrokken heeft, zullen zij, in gesprekken niet zoozeer aan den persoon denken tot wien, maar meer aan de zaak waarover zij spreken, en die hun levendig voor den geest zweeft; daarom zullen zij ten gunste van hun belangen te objectief oordeelen, of mededeelen, niet verzwijgen, wat verstandiger verzwegen ware gebleven.

Daarom ook zijn zij tot alleenspraken geneigd en kunnen zij over het algemeen verscheidene zwakheden toonen, die werkelijk den waanzin nabijkomen.

Dat genialiteit en waanzin een zijde toonen waar zij aan elkander grenzen, jazeifs in elkander overgaan, is vaak opgemerkt, en ook de dichterlijke begeestering een soort waanzin genoemd geworden; „amabüis insania" noemt Horatius haar (Od. III 4) en „holcler Wahnsinn" Wieland aan het begin van den .Oberon".

Zelfs Aristoteles moet, zooals Seneca aanhaalt (De tranquillitate animi 15, 16) gezegd hebben: „Nullum magnum ingenium sine mixtura dementiae fuü".

Plato drukt dit, in zijn mythe van de duistere spelonk (de Republ. 7) uit, door te zeggen:

„Zij, die buiten de spelonk het ware zonnelicht en de werkelijk bestaande dingen (Ideën) aanschouwd hebben, kunnen daarna in de spelonk niet meer zien, daar hun oogen niet meer aan de duisternis gewoon zijn, zij kunnen de schaduw daar beneden niet goed meer onderscheiden, en worden daarom, bij hun misgrepen, door de anderen bespot, daar dezen nooit hun spelonk en hun schaduwbeelden verlaten hadden."