is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het krankzinnigengesticht, zijn vroegeren levensloop af te vragen.

Het ware en het valsche vermengt zich in zijn geheugen meer en meer.

Ofschoon het onmiddellijk tegenwoordige op juiste wijze gekend wordt, wordt het vervalscht door den geftngeerden samenhang met een gewaand verleden; zij houden daarom zichzelf en anderen gelijk aan personen, die alleen in hun gefingeerd verleden bestaan, herkennen menigen goed bekende volstrekt niet meer, en hebben aldus, bij een juistere voorstelling van het afzonderlijk tegenwoordige, slechts valsche relatiën daarvan met het afwezige.

Bereikt de waanzin een hoogen graad, dan ontstaat er volkomen gemis aan geheugen, waarom de waanzinnige dan ook volstrekt niet in staat is zich iets uit het afwezige of het verledene te herinneren, maar uitsluitend geleid wordt door den gril van het oogenblik, in verband met de ficties, welke in zijn hoofd het verleden opvullen; men is dan bij hem, wanneer men hem niet steeds de overmacht voor oogen houdt, geen oogenblik beveiligd tegen mishandeling of moord.

De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier dit gemeen, dat beiden tot het tegenwoordige beperkt zijn; maar wat haar onderscheidt, is het volgende: het dier heeft eigenlijk volstrekt geen voorstelling van het verledene als zoodanig, ofschoon deze door het medium der gewoonte op het dier werkt; zoo herkent b. v. de hond na jaren zijn vroegeren meester weder, d. w. z. hij ontvangt van zijn aanblik den gewonen indruk weder, van den tijd echter die inmiddels vervlogen is, heeft hij niet de geringste herinnering; de waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede nog altijd een verleden in abstracto in zich om, maar een valsch verleden, dat slechts voor hem bestaat en dit hetzij ten allen tijde, hetzij slechts even; de invloed van dit valsch verleden verhindert nu ook het gebruik van het op juiste wijze gekende tegenwoordige, wat echter toch door het dier gemaakt wordt.

Dat hevig geestelijk lijden, onverwachte ontzettende gebeurtenissen, vaak waanzin veroorzaken, verklaar ik mij op de volgende wijze:

Alle dergelijk lijden is steeds als een werkelijke gebeurtenis tot het tegenwoordige bepaald, dus slechts voorbijgaand, en in dit opzicht altijd niet buitensporig zwaar; onmetelijk groot wordt het eerst dan, wanneer het een blijvende smart wordt; maar als zoodanig is het weder alleen een gedachte en ligt