Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom in het geheugen; wanneer nu zulk een verdriet, zulk een smartelijk weten, of aandenken, zoo pijnlijk is, dat het inderdaad ondragelijk wordt, en de individu er onder bezwijken zou, — dan grijpt de dermate beangstigde natuur naar den waanzin als naar het allerlaatste redmiddel des levens; de zoo hevig gekwelde geest verbreekt dan gelijktijdig de draden van zijn geheugen, vult de leemten met ficties aan en vlucht aldus van de geestelijke smart die zijn krachten te boven gaan tot den waanzin — zoools men een door het vuur aangetast lid amputeert, en het door een houten vervangt,

Als voorbeeld beschouwe men den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia; want de scheppingen van den echten genius, waarop men zich hier alleen, als algemeen bekend, beroepen kan, moeten op gelijken rang met werkelijke personen geplaatst worden; overigens toont ook dikwijls de ondervinding hier volmaakt hetzelfde.

Een zwakke analogie van de wijze van overgang van smart, tot waanzin bestaat hierin, dat wij alle dikwijls een pijnlijk aandenken, dat ons plotseling invalt, als het ware op mechanische wijze, door een of ander luidruchtige uiting of beweging, trachten te verwijderen, onze aandacht er van af te wenden en ons zeiven met geweld te verstrooien.

Zien wij nu, op de boven aangehaalde wijze den waanzinnige het afzonderlijk tegenwoordige, en ook menige afzonderlijke feiten uit het verleden, met juistheid kennen, maar den samenhang, de relatiën niet kennen en daarom dwalen en dwaasheden uiten, dan is dit juist het punt van aanraking met den genialen individu; want ook deze, door de kennis der relatiën uit het oog te verliezen, om in de dingen slechts hun ideën te zien en te zoeken en in hun eigenlijk wezen, dat zich aan de beschouwing voordoet, door te dringen, ten opzichte waarvan één enkel ding zijn geheele soort vertegenwoordigt, en een enkel geval daarom, zooals Goethe zegt, voor duizenden geldt, — ook de geniale verliest daaromtrent de kennis van den samenhang der dingen uit het oog; het enkelvoudige object zijner beschouwing of het overmatig levendig door hem opgevatte tegenwoordige, verschijnen voor hem in zulk een helder licht, dat tegelijkertijd de overige schakels van den keten, waartoe zij behooren, daardoor in de schaduw geplaatst worden; dit nu brengt verschijnselen te weeg, welke met die van den waanzin een sedert lang erkende overeenkomst vertoonen.

Wat in afzonderlijk aanwezige dingen slechts onvolmaakt en door wijzigingen verzwakt voorhanden is, verheft de beschou-

Sluiten