is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het intellect is, volgens zijn bestemming alleen het medium der motieven, dientengevolge neemt het van de dingen oorspronkelijk niets anders op, dan hun betrekking tot den wil, de rechtstreeksche, de indirecte en de mogelijke.

Bij de dieren, bij wie het bijna uitsluitend bij de rechtstreeksche blijft, loopt de zaak juist daarom het meest in het oog; wat geen betrekking op hun wil heeft, bestaat voor hen niet.

Daarom baart het ons somtijds verwondering, wanneer wij zien, dat zelfs verstandige dieren iets wat inzichzelf opvallend is, volstrekt niet opmerken en b. v. over in het oogloopende veranderingen in onzen eigen persoon of onze omgeving, volstrekt geen bevreemding aan den dag leggen.

Bij den normalen mensch komen hier nu weliswaar de indirecte, en de mogelijke betrekkingen tot den wil bij, waarvan de som de samenvatting der nuttige kenissen uitmaakt; maar in de betrekkingen blijft ook hier de kennis steken.

Daarom juist komt het in een normaal hoofd niet tot een volmaakt zuivere objectieve voorstelling der dingen, omdat zijn beschouwingsvermogen, zoodra het niet door den wil aangespoord en in beweging gebracht wordt, vermoeid wordt en tot werkeloosheid overgaat, daar het geen energie genoeg bezit, om door zijn eigen veerkrachtigheid en doelloos de wereld zuiver objectief te beschouwen.

Waar dit integendeel geschiedt, waar het voorstellend vermogen der hersenen zulk een overschot van energie bezit, dat zich een zuivere, duidelijke objectieve voorstelling der wereld voordoet, als onnuttig voor de bedoelingen van den wil, en in hoogere graden zelfs storend werkt, en nadeelig kan worden, — daar is althans de aanleg tot zulk een abnormaliteit reeds aanwezig, die met den naam van genie bestempeld wordt, en die aanduidt, dat hier een genius, een van het eigenlijk Ik vreemd en van buiten toekomend genius, werkzaam schijnt te worden.

Of om zonder beelden te spreken: het genie bestaat hierin, dat de geschiktheid om te kennen belangrijk krachtiger ontwikkeld is, dan de dienst van den wil vereischt, waartoe zij alleen oorspronkelijk ontstaan is.

Vandaar zou, volgens dezelfde aaneenschakeling, de physiologie zulk een overmaat van hersenwerkzaamheid en met haar van de hersens zelf, kunnen rangschikken onder de „monstris per excessumwelke zij, naar bekend, rangschikt naast de „momtra per defectum" en dus „per situm mutatum

Het genie bestaat dus in een abnormale overmaat van intellect, die alleen benuttigd kan worden, door gericht te zijn