Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het algemeene van het bestaan; daardoor komt het dan ten dienste aan het geheele menschelijke geslacht, zooals het normale verstand aan den individu.

Om de zaak zeer begrijpelijk voor te stellen, zou men kunnen zeggen: wanneer de normale mensch uit 2/3 wil en Va intellect bestaat, dan bezit de geniale mensch daarentegen ai3 intellect en wil.

Dit zou voorts door een scheikundige vergelijking verduidelijkt kunnen worden: de basis en de zuren van een middelzout onderscheiden zich, doordat in elk hunner de radicaal in omgekeerde verhouding staat tot het oxygenium, als in de andere.

De basis namelijk of de alcali, is dit, omdat de radicaal in hp,r overwegend is tegenover het oxygenium, en het zuur is dit, omdat in hem het oxygenium overwegend is.

Dezelfde verhouding ontdekken wij, ten opzichte van den wil en het verstand, tusschen den normalen mensch en het genie.

Daaruit vloeit tusschen hen een diep ingrijpend onderscheid voort, dat in geheel hun wezen, in al hun doen en laten, zichtbaar is, maar voornamelijk in het licht treedt in hetgeen zij produceeren.

Men zou hier als onderscheid nog bij kunnen voegen, dat, terwijl deze absolute tegenstelling tusschen de scheikundige stoffen de sterkste verwantschap en een onderling streven veroorzaakt, bij het menschelijk geslacht veeleer het tegendeel te bespeuren is.

De het eerst voor de hand liggende uiting, welke zulk een overmaat van kenvermogen te voorschijn roept, vertoont zich meestal in de oorspronkelijke en wezenlijke kennis, n.1. de beschouwende, en geeft aanleiding tot de herhaling daarvan door een beeld: zoo ontstaan de schilder en de beeldhouwer.

Bij dezen is de weg tusschen de geniale opvatting en de kunstmatige productie de kortste; daarom is de vorm, waaronder het genie en zijn werkzaamheid zich hier voordoen, de eenvoudigste en zijn beschrijving de gemakkelijkste.

Ook is hierdoor al aanstonds de bron aangewezen, waar alle echte producties, in iedere kunst, ook in de poëzie, jazelfs in de philosophie, haar oorsprong nemen, ofschoon haar loop daarbij niet zoo eenvoudig is.

Men herinnere zich hier de in het Eerste Boek verkregen gevolgtrekking, dat alle beschouwing intellectueel en niet zinnelijk is.

Wanneer men de hier gegeven uiteenzetting daarnaast plaatst en tevens naar behooren overweegt, dat de philosophie der

10

Sluiten