is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen door middel van haar kan dit, volgens de vereischten van den samenhang zijner voorstellingen, van zijn dichten of zijn denken, zich ieder onderwerp of gebeurtenis door een levendig beeld voorstellen, en aldus steeds nieuw voedsel putten uit de oorspronkelijke bron van alle kennis, n.1. de beschouwende.

Hij dus, die met een rijke verbeeldingskracht begaafd is, is ■ v) ware staat om geesten op te roepen, die hem ter rechter tijd de waarheden openbaren, welke de naakte werkelijkheid der duigen slechts zwak, slechts zelden, en dan nog meestal ontijdig verschaft. Tot hem staat degene, die niet met verbeeldingskracht begaaft is, als de mossel die aan de rots vastgehecht is en slechts moet afwachten, wat het toeval hem toevoert, tot het dier dat zich vrij bewegen kan, of van vleugels voorzien is.

Want zoo iemand kent geen andere dan de werkelijke aanschouwing der zinnen.

Totdat zij (de fantasie) komt, knaagt hij slechts aan begrippen en abstracties, die niets dan schillen en uitwendige bekleedselen, niet de kern zelf zijn.

Hij zal nooit iets groots tot stand brengen — of het in de rekenkunst of in de mathematische wetenschappen zij.

De werken der beeldende kunsten en der dichtkunst, evenals de verrichtingen der mimiek, kunnen ook beschouwd worden als hulpmiddelen, waardoor zij, die niet met verbeeldingskracht begaafd zijn, in dit gebrek zoo goed mogelijk trachten te voorzien. Hun echter, die wel met verbeeldingskracht begaafd zijn, verschaft het gebruik er van groote verlichting.

Ofschoon nu de eigenaardige en wezenlijke wijze van kennis van het genie de beschouwende is, vormen de afzonderlijke individuen toch volstrekt niet het eigenlijk onderwerp (van het genie) maar de platonische ideeën, die zich in deze verwezenlijken.

In het afzonderlijke steeds het algemeene te zien, is juist het hoofdkenmerk van het genie; terwijl de gewone mensch in de afzonderlijke individuen alleen het afzonderlijke als zoodanig. beschouwt, daar het slechts als zoodanig tot de werkelijkheid behoort, die alleen voor hem belang, d. w. z. betrekking tot zijn wil, heeft.

De graad, volgens welke een ieder in de individueele dingen slechts dit alleen, of hoogstens iets meer of minder algemeens, tot op het algemeenste in dezelfde soort, niet denkt, maar rechtstreeks aanschouwt, is de maatstaf voor zijn verwijdering van, of zijn nadering tot het genie.