is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overeenkomstig hiermede, is dan ook het wezen der dingen, het algemeene in hen of het geheel, het eigenlijke onderwerp van het genie; het onderzoek van de afzonderlijke (individueele) verschijnselen is het terrein der talenten, in de positieve wetenschappen, wier onderwerp eigenlijk alleen bestaat in de verhoudingen der dingen tot elkander.

Wat in het voorafgaande hoofdstuk op uitvoerige wijze uiteengezet is geworden, dat namelijk de opneming der ideeën hierdoor bepaald wordt, dat het kennende het zuivere subject van het kennen is, d. w. z. dat de wil volkomen uit het bewustzijn verdwijnt, zweeft ons hier eveneens voor den geest. .

Het genot, wat wij smaken in vele liederen van Goethe, die ons een landschap voor oogen stellen, of in de natuurschilderingen van Jean Paul, berust hierop, dat wij door deze voortbrengselen deelachtig worden aan de objectiviteit dezer geesten, d. w. z. aan de zuiverheid, waarmede de wereld als voorstelling zich in hen van de wereld als wil afgezonderd en geheel losgemaakt heeft.

Uit deze omstandigheid, dat de wijze van kennen van het genie wezenlijk gereinigd is van alle willen en van al zijn verhoudingen, volgt ook, dat zijn werkingen niet voortvloeien uit opzet of willekeur, maar geleid worden door een instinktachtige noodzakelijkheid.

Wat men het in werking treden van het genie, het gewijde oogenblik, het oogenblik der begeestering noemt, is niets anders dan het vrij worden van het intellect, wanneer dit, voor een zeker tijdsverloop ontheven zijnde van zijn dienstbaarheid aan den wil, nu niet verzinkt in werkeloosheid of afspanning, maar, voor een kort oogenblik, geheel alleen en volgens eigen willekeur, werkzaam is.

Dan heeft het dezen hoogsten graad van zuiverheid bereikt en wordt als het ware een heldere spiegel der wereld; dan, volkomen gescheiden van zijn oorsprong, van den wil, is het nu de in één enkel bewustzijn geconcentreerde wereld als voorstelling zelf.

In zulke oogenblikken worden er aan de ziel gelijke, onsterfelijke werken voortgebracht.

Bij alle opzettelijk nadenken daarentegen is het intellect niet vrij, daar het door den wil geleid, en zijn onderwerp door den wil voorgeschreven wordt.

Het stempel van het gewone, de uitdrukking van het alledaagsche, dat op verreweg de meeste gelaatstrekken afgedrukt