Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, bestaat eigenlijk hierin, dat de strenge ondergeschiktheid van hun kennen aan hun willen — de vaste keten welke beiden aaneenschakelt — en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om de dingen anders dan in betrekking tot den wil en diens doeleinden op te vatten, daarop duidelijk zichtbaar is.

De uitdrukking van het genie daarentegen, die de in het oog loopende familiegelijkenis van alle hoogbegaafde personen veroorzaakt, is hierin gelegen, dat men het vrij gesproken zijn, — de manumissie van het intellect van de dienstbaarheid aan den wil — het overheerschen van het kennen over het willen, er duidelijk op leest; en daar alle smart van den wil uitgaat, het kennen daarentegen in en voor zichzelf zonder smart en aangenaam is, geeft dit aan hun hoog voorhoofd en hun helderen bespiegelenden blik, als zijnde niet ondergeschikt aan den dienst van den wil en diens gebreken, dat waas van verheven, bijna bovenaardsche behagelijkheid welke van tijd tot tijd te voorschijn treedt, en zeer goed kan samengaan met de zwaarmoedigheid der overige gelaatstrekken, voornamelijk van den mond. In dit opzicht wordt het op treffende wijze aangeduid door het motto van Giordano Bruno: In tristitia hilaris, in hüarüate tristis. (In droefheid opgeruimd en in opgeruimdheid droevig).

De wil, die de wortel van het intellect is, verzet zich tegen ieder ander doel dan dat, waarop zijn werkzaamheid gericht is. Daarom is het intellect slechts dan in staat tot een zuiver objectieve en diepe opvatting der buitenwereld, wanneer het zich van dezen zijn wortel, althans tijdelijk, losgemaakt heeft.

Zoolang het nog aan hem verbonden blijft, is het door eigen middelen niet geschikt om in werking te treden, maar sluimert in doffe werkeloosheid, zoolang de wil (het belang) het niet wakker schudt en in beweging brengt.

Geschiedt dit toch, dan is het wel geschikt om, overeenkomstig de belangen van den wil, de verhoudingen der dingen te kennen, zooals de verstandige kop dit doet, die altijd tevens een opgewekte, d. w. z. een door den wil levendig bewogen kop moet zijn, maar daarom is het nog niet in staat, tot het zuiver objectieve wezen der dingen door te dringen.

Want het willen en de doeleinden maken het zoo eenzijdig, dat hij aan de dingen slechts datgene ziet, wat daarop betrekding heeft, terwijl het overige gedeeltelijk verdwijnt, en gedeeltelijk vervalscht tot zijn bewustzijn doordringt.

Zoo zal bijv. iemand die in angst en met grooten spoed reist, de Rijn en haar oevers slechts als een lange streep, en

Sluiten