Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de brug er over slechts als een andere streep, die de eerste snijdt, zien. In het hoofd van den mensch, die met het streven naar zijn doel vervuld is, ziet de wereld er uit, zooals een schoone landstreek er op het plan van een slagveld uitziet.

Weliswaar zijn dit uitersten, die ter wille van de duidelijkheid aangehaald worden; maar toch zal iedere, ook de geringste beweging van den wil, steeds die analoge vervalsching van het kennen ten gevolge hebben.

De wereld kan eerst dan in haar ware kleur en gedaante, in haar geheele en juiste beteekenis te voorschijn treden, wanneer het intellect, ontdaan van den wil, vrij boven de objecten zweeft, en zonder door den wil aangedreven te worden, toch krachtdadig werkzaam is.

Weliswaar is dit in strijd met de natuur en de bestemming van het intellect, en dus in zekeren zin tegennatuurlijk, ja daarom juist uitermate zeldzaam, maar hierin ligt het wezen van het genie, waarbij alleen dezen toestand in een hoogen graad en onafgebroken plaats vindt, terwijl het bij de overigen slechts bij uitzondering en bij benadering geschiedt.

In dezen, hier verklaarden zin neem ik het, wanneer Jean I aul („Vorschule der Aesthetik" § 12) het wezen van het genie in de bedachtheid plaatst. De gewone mensch is in de beslommeringen en de bedrijvigheid des levens, waartoe hij door zijn wil behoort, geheel verzonken; zijn intellect is opgevuld met de dingen en de gebeurtenissen des levens; maar deze dingen en het leven zelf, in objectieve beteekenis, wordt hij in het geheel niet gewaar, evenals de koopman op de Amsterdamsche Beurs volmaakt verneemt wat zijn buurman zegt, maar het gewoel van de geheele Beurs, gelijk aan het ruischen der zee, waarover de verwijderde toeschouwer verbaasd staat, volstrekt niet hoort.

Voor het genie daarentegen, wiens intellect van den wil, dus van den persoon, losgemaakt is, bedekt het hem betreffende de wereld en de dingen zelf niet, maar het wordt er zich duidelijk van bewust, het neemt hem in en voor zichzelf, in objectieve beschouwing, waar; in dezen zin is het bedacht.

Deze bedachtheid is het, die den schilder in staat stelt, de natuur die hij voor oogen heeft, getrouw op het doek weder te geven, en den dichter het aanschouwelijk tegenwoordige, door middel van abstracte begrippen, weder nauwkeurig te voorschijn te roepen, doordat hij hen uitspreekt en aldus tot duidelijk bewustzijn brengt; d. w. z. alles, wat de overigen slechts gevoelen, in woorden uit te drukken.

Sluiten