Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dier leeft zonder eenige bedachtheid. Wel bezit het bewustzijn, d. w. z. het kent zichzelf en hetgeen hem behagelijk of smartelijk is, alsmede de voorwerpen die beiden veroorzaken. Maar zijn kennis blijft steeds subjectief, en wordt nooit objectief; al hetgeen daarin voorkomt, schijnt zich voor hem als vanzelf te verstaan en kan hem daarom nooit tot een voorwerp (object der voorstelling) noch tot een probleem (object der overweging) worden. Zijn bewustzijn is dus geheel immanent.

Wel niet van gelijke, maar toch van nauw verwante natuur is het bewustzijn van de massa der gewone menschen, doordat ook hun waarneming der dingen en der wereld overwegend subjectief en op overheerschende wijze immanent blijft. Zij nemen de dingen in de wereld waar, maar niet de wereld zelve; hun eigen daden en lijden, maar niet zichzelf.

Wanneer nu langs een oneindige gradatie de duidelijkheid van het bewustzijn toeneemt, treedt meer en meer de bedachtheid op den voorgrond en daardoor komt het langzamerhand zoover, dat somtijds, ofschoon zelden en dan in hoogst verschillende graden van duidelijkheid, als een bliksemstraal de vraag door het brein schiet: „Wat is dit alles?" of „Hoe is het mogelijk?"

De eerste vraag zal, wanneer zij groote duidelijkheid en een voortdurend aanwezig zijn verkrijgt, den philosoof, en de andere evenzoo den dichter of den kunstenaar maken.

Dientengevolge heeft dus de hooge roeping van beiden haar wortel in de bedachtheid die allereerst aan de duidelijkheid ontspringt, waarmede zij de wereld en haar zelve bewust wordt, en er toe komt, daarover na te denken. Het geheele verloop ontsPrinët echter hieruit, dat het intellect zich door zijn overwicht tijdelijk losmaakt van den wil, aan wien het oorspronkelijk dienstbaar is.

De hier uiteengezette beschouwingen over het genie sluiten zich aan bij, en vervoltooien onze reeds vroeger gegeven uiteenzetting van het steeds verder van elkander afwijken van den wil en het intellect, dat in de geheele reeks der wezens kan worden waargenomen.

Dit bereikt in het genie juist zijn hoogsten graad, waar het zich voortzet tot de volledige losmaking van het intellect van zijn wortel, den wil, zoodat het intellect hier volkomen vrij wordt, waardoor de wereld als voorstelling tot volkomen objectivatie geraakt.

Nu nog eenige opmerkingen omtrent de individualiteit van het genie.

Sluiten