is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo zijn alleen de hoogst zeldzame, ongewone menschen, wier ware ernst niet in persoonlijke en practische, maar in objectieve en theoretische doeleinden gelegen is, in staat om tot het wezen der dingen en der wereld, dus de hoogste waarheden, door te dringen en op een andere wijze weder te geven. Want een dergelijke ernst, die buiten den individu, maar in het objectieve valt, is iets aan de menschelijke natuur geheel vreemds, iets onnatuurlijks, eigenlijk bovennatuurlijks; toch is de mensch door hem alleen groot, en overeenkomstig hiermede wordt zijn scheppende kracht dan toegeschreven aan een genius, die van hem onderscheiden is, en van hem bezit neemt.

Het uitbeelden, het dichten, het denken, zijn voor zulk een mensch het doel, voor de overigen zijn zij het middel. Dezen zoeken daarbij hun eigen belang, en weten dit in den regel goed te behartigen, daar zij zich schikken naar hun tijdgenooten, bereid om hun behoeften of hun grillen te dienen; daarom ook leven dezen gewoonlijk in gelukkige omstandigheden, genen echter dikwijls in groote ellende. Zij offeren namelijk hun persoonlijk welzijn op aan het objectieve doel; zij kunnen zelfs niet anders, omdat daarin hun ernst gelegen is. De anderen beschouwen het juist omgekeerd: daarom zijn zij klein: hij echter is groot.

Dientengevolge is zijn werk voor alle tijden, maar begint gewooniijk eerst erkend te worden door het nageslacht. Zij leven en sterven met hun tijd.

Groot in den algemeenen zin is slechts degene, die bij zijn werken, hetzij dit practisch, hetzij theoretisch is, niet zijn eigenbelang zoekt, maar alleen een objectief doel achtervolgt; hij is het echter ook dan nog, wanneer, op practisch gebied, dit doel een verkeerd begrepen, en zelfs wanneer het, tengevolge daarvan, een misdaad zou zijn.

Dat hij niet zich zelf en zijn eigenbelang zoekt, maakt hem, onder alle omstandigheden, groot.

Klein daarentegen is alle streven dat op persoonlijke doeleinden gericht is; daar degene, die hierdoor tot werkzaamheid overgaat, zich slechts in zijn eigen, onbeduidend kleinen persoon kent en terugvindt.

Alwie daarentegen groot is, erkent zich in alles, en daarom in het geheel; hij leeft niet, zooals de anderen, in den microcosmos alleen, maar nog meer in den makrocosmos.

Daarom juist stelt hij belang in het geheel, en zoekt er in door te dringen, om het weder te geven, of om het te verklaren, of om er practisch op in te werken. Want hem is het