Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet vreemd, hij gevoelt dat het hem aangaat. Wegens deze uitbreiding zijner sfeer noemt men hem groot.

Diensvolgens komt alleen den waren held, in welken zin ook, alsmede aan het genie dit verheven praedicaat toe; het beteekent, dat zij, tegen de menschelijke natuur in, niet hun eigen belang gezocht, niet voor zich alleen, maar voor allen geleefd hebben.

Zooals het nu duidelijk is, dat verreweg het meerendeel steeds klein moet zijn en nooit groot zal kunnen worden, zoo is toch het tegenovergestelde niet mogelijk, dat er namelijk één, in alle opzichten, d. w. z. altijd en ieder oogenblik, groot zou zijn. „Denn aus Gemeinem ist der Mensch gemacht,

Und die Gewohnheit nennt er seine Amme".

Dikwijls toch moet een groot man slechts de individu zijn, slechts zichzelf op het oog hebben, en dit heet klein zijn.

Hierop berust de zeer juiste bemerking, dat geen held het voor zijn kamerbediende blijft; niet echter hierop, dat de kamerbediende den held niet weet te waardeeren — wat Goethe in de „Wahlverwandtschaften" (Dl. 2, hoofdst. 5), als een inval van Ottilia opdischt. —

Het genie is aan zichzelf zijn loon; want het beste wat iemand is, moet hij noodzakelijk voor zichzelf zijn. „Alwie met een talent, voor een talent geboren is, vindt daarin zijn schoonste bestaan," zegt Goethe.

Wanneer wij naar een groot man uit vroegere tijden terugblikken, denken wij niet: „Hoe gelukkig is hij, door ons allen nu nog bewonderd te worden!" maar „Hoe gelukkig moet hij zich gevoeld hebben in het onmiddellijk genot van een geest, aan wiens achtergelaten sporen de eeuwen zich verkwikken!"

Niet in den roem, maar in datgene waardoor men hem verwerft, ligt de waarde, en in het voortbrengen van onsterfelijke kinderen van het genot.

Daarom kunnen zij, die de rechtmatigheid van den roem bij het nageslacht hieruit trachten te bewijzen, dat wie hem verwerft, er zelf niets van ondervindt, vergeleken worden met dien dapperen geestesheld, die aan een man, welke met jaloersche blikken een hoop oesterschalen in den tuin van zijn buurman gadeslaat, met grooten omhaal de volkomen onbruikbaarheid ervan wil bewijzen.

Volgens de uiteenzetting van het wezen van het genie, is dit in zooverre tegennatuurlijk, als het hierin bestaat dat het intellect, eigenlijk bestemd tot den dienst van den wil, zich van deze dienstbaarheid emancipeert, om volgens eigen wille-

Sluiten