Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien in rouw, vreugde, bezorgdheid, vrees, toorn, enz., door dingen, waarbij een alledaagsch raensch volkomen kalm blijft.

Daarom ontbreekt 't het genie aan nuchterheid, die hierin bestaat, dat men in de dingen niets anders ziet, dan wat hun, voornamelijk ten opzichte van onze mogelijke doeleinden, werkelijk toekomt, daarom kan geen nuchter mensch een genie zijn.

Bij de reeds genoemde nadeelen voegt zich nu nog de overgroote gevoeligheid (prikkelbaarheid) welke een abnormaal verhoogd zenuw- en hersenleven met zich medebrengt, en wel in vereeniging met de heftigheid en hartstochtelijkheid van den wil die het genie eveneens kenmerken, en die zich physisch openbaart door de energie van den hartslag.

Uit dit alles ontspruiten zeer gemakkelijk die overspanning der gemoedsstemming, die heftigheid der aandoeningen, die snelle afwisseling van humeur onder overheerschende zwaarmoedigheid, welke Goethe ons in Tasso voor oogen gesteld heeft.

Welke redelijkheid, kalme zelfbeheersching, scherp inzicht, volkomen zekerheid en gelijkmatigheid in zijne handelingen toont niet de gunstig begaafde normaalmensch, in vergelijking met de nu eens droomerige verzonkenheid, dan weder hartstochtelijke opgewondenheid van den genialen man, wiens innerlijke kwellende drang de schoot van onsterfelijke werken is.

Bij dit alles komt nog, dat het genie inderdaad eenzaam leeft. Het is te zeldzaam, dan dat het gemakkelijk zijn gelijke kan ontmoeten, en te verschillend van de overigen, om hun gezel te zijn. Bij dezen is het willen, bij hem het kennen overheerschend; daarom is zijn genot niet het hunne, en hun genot niet het zijne. Zij zijn louter moreele wezens en hebben enkel persoonlijke betrekkingen; hij is tegelijkertijd een zuiver intellect, en behoort als zoodanig aan de geheele menschheid.

De gedachtengang van het intellect, dat van zijn moederlijken bodem, den wil, is losgemaakt en slechts van tijd tot tijd tot hem terugkeert, zal zich weldra volkomen onderscheiden van dat des normaalmenschen, die aan zijn stam gehecht blijft.

Daarom, en ook wegens de ongelijkheid der schreden, is iedereen niet geschikt tot het gemeenschappelijk denken d. w. z. tot conversatie met anderen; zij zullen daaraan en aan zijn drukkend overwicht even weinig genot smaken als hij aan hen. Zij zullen zich dus veel behagelijker gevoelen met hun gelijken, en hij zal aan een onderhoud met zijn gelijken, ofschoon dit in den regel slechts door hun nagelaten werken mogelijk is, de voorkeur geven.

Sluiten