is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer terecht zegt daarom Chamfort: „II y a peu de vices qui empêchent un homme d'avoir beaucoup d'amis, autant que peuvent le faire de trop grandes qualités.'"

Het gelukkigste lot wat een genie ten deel kan vallen, is, niet gebonden te zijn in zijn doen en laten, wat niet zijn element is, en vrijheid te bezitten bij al zijn scheppingen.

Uit dit alles blijkt duidelijk, dat ofschoon het genie dengene, wie er mede begaafd is, in de oogenblikken waarin hij zich geheel aan hetzelve overlevert, en ongehinderd het genot er van smaakt, hoogst gelukkig maakt, dit toch volstrekt niet in staat is, hem een gelukkigen levensloop te verschaffen, veeleer het tegendeel. Dit bevestigt ook de ondervinding, welke wij in de biografieën leeren kennen.

Hierbij voegt zich nog een uiterlijke wanverhouding, doordat het genie, in zijn doen en laten meestal met zijn tijd in tegenspraak en in strijd is. De gewone mannen van talent verschijnen altijd op hun juisten tijd; want zooals zij door den geest van hun tijd opgewekt, en door diens behoeften wakker geschud worden, zoo zijn zij alleen in staat, daaraan te voldoen.

Zij grijpen dus in in den steeds voortschrijdende ontwikkelingsgang hunner tijdgenooten, in de stapsgewijze vorderingen eener speciale wetenschap; zij ontvangen daarvoor hun loon en bijval.

De eerstvolgende geslachten genieten echter hun werken reeds niet meer; dezen moeten door anderen vervangen worden, die dan ook niet uitblijven.

Het genie daarentegen verschijnt in zijn tijd als een komeet in de banen der planeten, waarvan de goed geregelde en onfeilbare orde aan zijn volkomen excentrieke loopbaan vreemd is.

Daarom kan het niet ingrijpen in den bestaanden regelmatigen ontwikkelingsgang van zijn tijd, maar strooit zijn werken uit in de het eerst voor de hand liggende baan, (zooals de ten doode gewijde imperator zijn speer onder de vijanden) waarop de tijd hem vooraf moet inhalen.

Zijn verhouding tot de mannen van talent, die gedurende dit tijdsverloop hun toppunt bereiken, zou men met de volgende woorden van den Evangelist kunnen uitdrukken: „'O Kxipog ó

SU.0C CV7TCC TTStpsCTlV G KXipOg u TTOLVTOtt £0TIV ET01U.0C "

(Joh. 7 : 6) ').

'J J°h- VII : 6. „Tempus meum nondum advenit: tempus autumnostrum semper est paratum". — „Mijn tijd is nog niet gekomen, de uwe is echter altijd daar".

11