is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder genie in zekere mate een kind. De verwantschap van beiden vertoont zich op de allereerste plaats in het ongekunstelde en den verheven eenvoud, die een grondtrek van het echte genie is; bovendien treedt zij ook in menig ander opzicht aan den dag, zoo dat een zekere kinderlijkheid bepaald tot het karakter van het genie behoort.

In Reiniefs mededeelingen over Goethe wordt (Dl. I,p. 184) vermeld, dat Herder en anderen bij Goethe afkeurden, dat hij altijd een groot kind was geweest; ongetwijfeld hebben zij dit met recht gezegd, maar niet met recht afgekeurd.

Ook van Mozart heeft men gezegd, dat hij geheel zijn leven een kind is gebleven (Nissen's Biografie van Mozart, p. 2 en 529).

Schlichtegroll zegt van hem in zijn Necrologie (van 1791, Dl. II, pag. 109). „Vroegtijdig werd hij een man in zijn kunst; in alle overige opzichten bleef hij steeds een kind."

Ieder genie is daarom een groot kind, omdat het de wereld aanschouwt, als iets vreemds, als een schouwtooneel, dus met zuiver objectieve belangstelling.

Diensvolgens bezit het evenmin als het kind, die droge ernstigheid der alledaagsche menschen, die, tot niets anders dan subjectieve belangstelling in staat zijnde, in de dingen steeds enkel motieven voor hun daden zien.

Al wie niet, gedurende geheel zijn leven in zekeren zin een groot kind blijft, maar een ernstig, nuchter, bedaard en redelijk man wordt, kan een zeer nuttig en deugdelijk burger dezer wereld zijn, maar nooit een genie. In werkelijkheid is het genie het hierdoor, dat het overwicht, wat aan den kinderlijken leeftijd eigen is, van het gevoelstelsel en de kennende werkzaamheid, zich bij hem op abnormale wijze gedurende het geheele leven bewaart, en hier dus blijvend wordt.

Een spoor hiervan zet zich weliswaar nog voort bij vele gewone menschen tot in hun jongelingsjaren; vandaar dat b.v. bij vele studenten, een zuiver intellect streven en een geniale excentriciteit niet te loochenen zijn. Maar de natuur keert weer naar haar sleur terug; zij ontpoppen zich en doen zich op mannelijken leeftijd als ingekankerde philisters voor, van wie men schrikt, als men hen in latere jaren weder ontmoet.

^ Op al hetgeen hier uiteengezet is geworden, berust ook Goethe's schoone opmerking: „Kinderen zijn niet getrouw aan hetgeen zij beloven; jonge lieden zeer zelden, en wanneer zij woord houden, houdt de wereld het hun niet". (Wahlverwandtschaften, Dl. I, cap. 10).

Die wereld namelijk, welke de kronen, die zij voor de ver-