is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de middelen ontdekt en aangewend kunnen worden, waarmede de mensch niet alleen aan den mensch, maar ook aan het dier het zijne ontnemen wil.

Het dier heeft echter geen rede en daarom ook geen valschheid in zich.

De omvang en het vermogen van ons intellect, zegt Schopenhauer, hangen volstrekt niet van den omvang en het vermogen van onzen wil af.

Als voorbeeld van dezen zeldzamen intellectueelen omvang en dit vermogen haalt Schopenhauer Kant aan, wiens wilszwakte algemeen bekend is.

In tegenstelling met dit voorbeeld bezat Napoleon een wilskracht, waarvan de weêrga in de geheele wereldgeschiedenis nauwelijks te vinden is; en toch was zijn intellect zoo zwak dat hij niet kon voorzien, dat hij, althans zijn leger, in Rusland zou moeten verhongeren, terwijl de Alliantie met de aan hem ondergeschikte Duitsche en Italiaansche vorsten zijn „Grande Armée" niet voor den honger en de koude in die uitgestrekte ijsvlakten kon behoeden.

Wilskracht beschouwt Schopenhauer over het algemeen, onverschillig of zij met een krachtig of een zwak intellect gepaard gaat, als iets zeer gewoons, omdat zij zich ook bij den domsten individu, en bij dezen juist het krachtigst, als kolossale eigenzinnigheid voordoet.

Schopenhauer beschouwt onzen wil als iets, dat des te leelijker is, naarmate het zich meer ontwikkeld en krachtiger toont.

Hij zegt zelfs: „De menschelijke wil is zoo afschuwelijk, dat wij ons schamen, hem onverholen te uiten, wat slechts de dieren mogen doen zonder zich te moeten schamen.

Daar ons niets met zooveel afkeer vervult en niets ons zoozeer hindert, dan onze natuurlijke wils-uitingen, hebben wij de hoffelijkheid, de welwillendheid, uitgedacht, en noemen deze aangenomen huichelarij: opvoeding en goede vormen.

Ieder te heftig voortgebracht geluid, ieder te openlijk en te oprecht uitgesproken verlangen, druischt in tegen hetgeen wij „wellevendheid" noemen, omdat wij tot de kennis zijn gekomen, dat dit zonder onoprechtheid niet gaat.

Alleen den dieren is het geoorloofd, hun natuurlijke gevoelens en verlangens op onomwonden wijze te kennen te geven, den mensch echter niet, daar onze natuur meer afschuw inboezemt dan die der dieren.

Wij willen haar niet leeren kennen, want wanneer zij huichelt,