is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd beschouwd, ofschoon hij een ongemeen breed voorhoofd, zeer gezonde hersens en hart, een zeer gezonde maag en zeer gezonde longen en over het algemeen alles, wat tot een gezonde stofwisseling vereischt wordt, gehad heeft.

Wij mogen dan veronderstellen dat zijn overspanning in zekeren zin voortvloeide uit zijn te sterken wil, en niet alleen uit zijn te groot intellect.

Schopenhauer duldt echter niet dat men zijn wil aanrake, en daarom is hij ook geneigd te gelooven, dat alleen het menschelijk intellect, nooit echter de menschelijke wil ziek en krankzinnig kan worden.

In al deze opzichten plaatst Schopenhauer zich op het standpunt der moderne natuurwetenschap, welke beweert dat men een zuiveren geest niet kan voorstellen, en den menschelijken geest niet van de menschelijke hersens kan scheiden om hem als een op zichzelf bestaand wezen te beschouwen.

Daar echter de menschelijke wetenschap en de natuurkunde gaarne spreken van den geest der gassen, der vloeistoffen, der lichamen, planten en dieren, en ook Schopenhauer iets over den menschelijken geest wilde zeggen, heeft hij het Latijnsche woord: Intellectus met twee letters verkort, en daardoor een term in het leven geroepen, waarover men toch gevoegelijk spreken kan, eensdeels om niet, zooals Shakespeare en andere schrijvers, in verwikkeling te komen met de hersens, anderzijds ook om niet als een visionair beschouwd te worden door de moderne natuurphilosophie.

„Waar de begrippen te kort schieten, daar springen de woorden gelukkig in de bres," zegt Goethe zeer kernachtig, en Schopenhauer schijnt deze uitspraak van zijn hooggewaardeerden vriend goed ter harte genomen te hebben, want met zijn woord „Intellect" heeft hij het niet minder goed getroffen dan met zijn „wil".

Wij kunnen gelooven, dat onze hersens evenals alle andere deelen van ons lichaam door zenuwkwalen kunnen aangetast worden, niet echter dat door het verzwakken of verblinden onzer lichamelijke oogen, ons geestelijk zienvermogen zou verlamd of vernietigd worden; evenmin kunnen wij ons een geest voorstellen, die door ziekte zou aangetast zijn.

Dat de menschelijke geest, onverschillig of men hem intellect, of verstand, of rede, of wil noemt, lijdt, wanneer een of ander deel van ons lichaam lijdende is, behoeft hier zelfs niet nader verklaard te worden, en niemand zal er het tegendeel van trachten te bewijzen.