is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die niet binnen het bereik der wetten zijn gelegen, legt de raensch onmiddellijk jegens zijn gelijken een verachting aan den dag, welke voortspruit uit zijn grenzenloos egoïsme, somtijds ook uit boosaardigheid.

Hoe nu de mensch zich jegens zijn evenmensch gedraagt, toont ons bijvoorbeeld de slavenhandel der negers, waarvan het doel is: koffie en suiker. Men behoeft echter niet eens zoo ver te gaan; op den leeftijd van vijf jaren een garenspinnerij, of een andere fabriek betreden, en van nu af aan eerst tien, daarna twaalf en eindelijk veertien uren van den dag daar doorbrengen om steeds denzelfden mechanischen arbeid te verrichten, heet, het genot om adem te mogen halen, duur koopen. Dit is nochtans het lot van millioenen, en vele anderen deelen in een dergelijk lot.

Voor ons is intusschen een gering toeval voldoende, om ons volkomen ongelukkig te maken; om ons echter volkomen gelukkig te maken, bestaat er niets ter wereld. Wat men ook zeggen mag, het gelukkigste oogenblik van den gelukkigste op aarde is toch nog maar het oogenblik, waarop hij inslaapt, zooals het ongelukkigste van den ongelukkige dat van zijn ontwaken is.

Een indirect, maar onomstootelijk bewijs, dat de menschen zich ongelukkig gevoelen, en het diensvolgens inderdaad zijn, levert ons ten overvloede ook de in allen inwonende felle nijd, die, in alle levensomstandigheden, naar aanleiding van elk voorrecht, van welken aard dit ook zijn moge, opgewekt wordt en niet in staat is, zijn gal in zich op te sluiten.

Daar de menschen zich ongelukkig gevoelen, kunnen zij den aanblik van een gewaanden gelukkige niet verdragen, al wie zich voor een oogenblik gelukkig gevoelt, zou gaarne tevens geheel zijn omgeving gelukkig maken.

„Que tout le monde ici soit heureux de ma joié."

Dat hier iedereen zich over mijn vreugde gelukkig gevoele!

Ware het leven op zich zelf een goed van onschatbare waarde en verre te verkiezen boven het niet-bestaan, dan behoefde de poort waardoor men het verlaat, niet bewaakt te worden door zoo verschrikkelijke bewakers, zooals de dood met zijn verschrikkingen is.

Maar wie zou het in het leven zooals het in werkelijkheid is uithouden, wanneer de dood niet zoo verschrikkelijk was! En wie zou alleen maar de gedachte aan den dood kunnen verdragen, indien het leven een genot was!

Zoo echter heeft de dood nog altijd het goede, dat hij het