is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einde des levens is, en wij troosten ons over het lijden des levens met den dood, en over den dood met het lijden des levens. De waarheid is, dat beiden onafscheidelijk bij elkander behooren, doordat zij een doolhof vormen, waaruit het even moeilijk als begeerenswaardig is, uit te geraken.

Wanneer de wereld niet iets was, dat, practisch uitgedrukt, beter niet ware, zou zij ook theoretisch geen probleem zijn; veeleer zou haar bestaan hetzij volstrekt geen verklaring behoeven, daar dit zoo volmaakt vanzelf spreekt, dat een verbazing daarover of een vraag daarnaar, in niemands hoofd zou kunnen opkomen; of haar doel zou op onmiskenbare wijze aan het licht komen.

Maar integendeel, verre van enkel een probleem te zijn, is zij zelfs een onoplosbaar probleem, zooals ook de volmaaktste philosophie nog altijd een onverklaarbaar element zal blijven bevatten, evenals een onoplosbaren neerslag, of een overschot, wat een ongeëvenredigde verhouding tusschen twee grootheden steeds overlaat.

Wanneer iemand het dus zou wagen, de vraag op te werpen, waarom er dan niet liever in het geheel niets is, dan deze wereld, laat zij zich niet uit zich zelf rechtvaardigen, geen grond, geen eindoorzaak van haar bestaan in zich zelf ontdekken, en niet aantoonen, dat zij wegens haar zelve, d. w. z. tot haar eigen voordeel bestaat.

Dit nu kan, volgens mijne leer, hierdoor verklaard worden, dat het beginsel van haar bestaan bepaald zonder grond is, namelijk een blinde wil tot het leven, die, als ding in zich, niet onderworpen kan zijn aan het beginsel der voldoende reden, dat alleen de vorm der verschijnselen is, en waardoor alleen ieder waarom gerechtvaardigd wordt.

Dit komt echter tevens overeen met de werkelijke gesteldheid van de wereld; want alleen een blinde en niet-ziende wil zou in staat zijn zich in den toestand te verplaatsen, waarin wij ons zeiven aanschouwen.

Een ziende wil zou integendeel al zeer spoedig de gevolgtrekking gemaakt hebben, dat de operatie niet gedekt wordt door de kosten, daar zulk een geweldig streven en worstelen, met inspanning van alle krachten, en onder voortdurende zorgen, angst en ellende, bij een onvermijdelijke vernietiging van alle individueele leven, niet schadeloos gesteld wordt door het op deze wijze verkregene kortstondige bestaan, dat onder onze handen tot het niet overgaat.

Daarom eischt de verklaring der wereld door het „vou?" van