is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, en dikwijls dezelfde individu, vaak opnieuw aarzelt tusschen de opvatting van den dood als absolute vernietiging en die, dat wij met huid en haar onsterfelijk zijn. Beiden zijn evenzeer valsch, maar het komt hier niet zoozeer op aan, om het juiste midden te kiezen, als wel om een hooger standpunt van beschouwing te bereiken, vanwaar al deze opvattingen als van zelf wegvallen.

In deze beschouwingen heb ik mij voorgenomen, het allereerst van het empirische standpunt uit te gaan.

Hier hebben wij al aanstonds het onloochenbare feit, dat overeenkomstig het natuurlijk bewustzijn, de mensch niet alleen voor zijn eigen persoon den dood meer dan al het overige vreest, maar ook grievende smart gevoelt over den dood der zijnen, en dit niet uit egoïsme over een verlies dat hij zelf ondergaat, maar uit medelijden, over de groote ramp die hen getroffen heeft. Daarom brandmerkt hij dengene, die in een dergelijk geval niet weent en geen droefheid aan den dag legt als hardvochtig en liefdeloos.

Hiermede komt volmaakt het feit overeen, dat de wraakzucht, in haai hoogsten graad, den dood zoekt van haar vijand als de grootste ramp, welke hem kan worden aangedaan. Opvattingen wisselen af volgens tijd en plaats, maar de stem der natuur blijft overal en altijd dezelfde, en moet daarom door allen erkend worden. Hier schijnt zij duidelijk te zeggen, dat de dood een groote ramp is.

In de taal der natuur beteekent de dood: vernietiging. En dat het met den dood ernst is, kan reeds hieruit afgeleid worden, dat het, zooals aan iedereen bekend is, met het leven geen gekscheren is. Wij moeten wel niets beters dan deze beiden waard zijn.

vrees voor den dood is inderdaad van alle kennis onafhankelijk, want ook het dier bezit haar, ofschoon het den dood niet kent.

Alles wat geboren wordt, brengt haar met zich op de wereld mede. Maar deze vrees d priori voor den dood, is slechts de keerzijde van den wil om te leven, welke wij immers alle zyn. Daarom is ieder dier zoowel de zorg voor zijn behoud, als de vrees voor zijn vernietiging, aangeboren. Deze, en niet enkel net vermijden van de smart, is het welke zich openbaart in de angstige behoedzaamheid, waarmede het dier zichzelf, en meer nog zijn jongen, voor alles wat hun gevaarlijk kan worden, in veiligheid zoekt te brengen.

Waarom vlucht en siddert het dier, en tracht het zich te