is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbergen? Omdat het enkel wil om te leven, en als zoodanig ten doode gedoemd is en dus tijd zoekt te winnen.

Met den mensch is het van nature hetzelfde. De grootste ramp, het ergste, waarmede bedreigd kan worden, is de dood • en de grootste angst, de doodangst.

Niets wekt ons op zoo onwederstaanbare wijze tot levendige deelneming, dan het levensgevaar van een ander; niets is zoo ontzettend, als eene terechtstelling.

De grenzenlooze gehechtheid aan het leven, welke zich hierin openbaart, kan echter niet ontsproten zijn uit kennis en overweging, in dit opzicht schijnt zij veeleer een dwaasheid, daar het al zeer slecht gelegen is met de objectieve waarde des levens en het minstens een twijfelachtige kwestie blijft, of aan het niet-bestaan niet de voorkeur dient gegeven te worden en wanneer de ondervinding en de overweging mede spreken, het niet-bestaan niet de overhand hebben moet.

Kon men aan de graftomben aankloppen, en den overledenen vragen, of zij weder ten leven zouden willen verrijzen dan zouden zij het hoofd schudden! '

Dit is ook de meening van Socrates, in de Apologie van Plato en zelfs de opgeruimde en beminnelijke Voltaire kon niet nalaten te zeggen:

„On aime la vie; mais le néant ne laisse pas tfavoir du bon " en verder: „Je ne sais pas ce qtie c'est que la vieéternelle, mais celle ci est une mativaise plaisanterie."

Bovendien moet het leven in ieder geval spoedig een einde nemen, zoodat de weinige jaren welke men misschien nog te doorleven heeft, volkomen verdwijnen voor den eindeloozen tijd, waarin men niet meer zijn zal.

Daarom schijnt het, bij rijpe overweging, zelfs belachelijk, voor dit kort tijdsverloop zoozeer bezorgd te zijn; zoo te sidderen, wanneer het eigen leven of dat van anderen in gevaar geraakt is, en treurspelen te dichten, waarvan het verschrikkelijke zijn zetel alleen in de vrees voor den dood heeft.

Iedere diep ingewortelde gehechtheid aan het leven is dus onredelijk en blind; zij kan alleen hierin haar verklaring vinden, dat geheel ons wezen in zichzelf reeds wil om te leven is, voor wien het dus als het hoogste goed moet gelden, hoe vergald, kort, en onzeker het overigens ook zijn moge; en dat deze wil, in zich en oorspronkelijk, zonder kennis en blind is.

De kennis daarentegen, verre van de oorsprong te zijn van deze gehechtheid aan het leven, werkt haar zelfs tegen, doordat zij er de waardeloosheid van in het licht doet komen en