is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierdoor de vrees voor den dood bestrijdt. Wanneer zij dus de overhand behoudt en dientengevolge den mensch den dood moedig en gelaten onder de oogen doet kijken, dan wordt dit als iets groots en verhevens geëerd; wij huldigen dan den triomf van de kennis over den blinden wil om te leven, die de kern van ons eigen wezen is.

Insgelijks verachten wij dengene in wien de kennis bij dezen strijd de nederlaag lijdt, die dus onvoorwaardelijk aan het leven gehecht is, zich tegen den naderenden dood tot het uiterste verzet en hem vol vertwijfeling ondergaat, en toch openbaart zich in hem slechts het oorspronkelijke wezen van ons zelf en der natuur

Door deze beschouwingen komen wij inmiddels tot het volgende besluit:

1'. dat de wil om te leven het innerlijk wezen van den mensch is.

2". dat (deze wil) in zich zelf zonder kennis en blind is,

3". dat de kennis een beginsel is, dat hem (den wil) oorspronkelijk vreemd en toegevoegd is,

4'. dat zij (de kennis) met hem in strijd is, en ons oordeel bijval toont met de overwinning van de kennis over den wil.

Wanneer het de gedachte van het niet-bestaan was, die ons den dood zoo verschrikkelijk doet schijnen, dan moesten wij met evenveel afschuw denken aan den tijd, waarin wij nog niet waren. Want het is onomstootelijk waar, dat het nietbestaan na den dood niet kan verschillen van het niet-bestaan voor de geboorte, en dus ook niet beklagenswaardiger is.

Er is een geheele oneindigheid verloopen, alvorens wij bestonden, maar dit bedroefd ons al zeer weinig.

Dat er daarentegen, na dit kortstondig intermezzo van een tijdelijk bestaan, een tweede oneindigheid volgen zou, waarin wij niet meer zullen bestaan, vinden wij hard en onverdragelijk.

Zou nu deze dorst naar het bestaan wellicht hierdoor ontstaan zijn, dat wij het nu geproefd en zelfs alleraardigst gevonden hebben?

Zooals wij hierboven reeds in het kort zeiden: zeker niet; veeleer had de opgedane ervaring een oneindig verlangen kunnen wekken naar het verloren paradijs van het niet-bestaan.

De hoop op de onsterfelijkheid der ziel gaat bij allen gepaard aan die op een „betere wereld" — een teeken, dat de tegenwoordige niet veel deugt.

Afgezien van dit alles wordt er naar onzen toestand na den dood, in boeken en in gesprekken duizendmaal meer gevraagd, dan naar onzen toestand voor de geboorte.