is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Theoretisch is dus het eene een vraagstuk dat even voor de hand liggend en rechtmatig is als het andere, tevens zal degene die het eene beantwoord heeft, ook wel tot een besluit gekomen zijn omtrent het andere.

Wij hebben er prachtige declamaties over, hoe terugstuitend de gedachte is, dat de geest van den mensch, die de geheele wereld omvat en zoovele voortreffelijke gedachten rijk is, met ons in het graf zou dalen; maar over het feit, dat deze geest een geheele oneindigheid heeft laten voorbijgaan, alvorens hij met deze eigenschappen begaafd tot het bestaan gekomen is, hooren wij niets.

Toch dringt zich aan de kennis, die niet onder den invloed van den wil staat, geen natuurlijker vraag op, dan deze: Voor mijn geboorte is er een oneindige tijd verloopen; wat was ik gedurende al dien tijd?

Metaphysisch zou men wellicht kunnen antwoorden: „Ik was altijd Ik; namelijk, allen, die gedurende dien tijd Ik zeiden, waren Ik."

Dit standpunt, dat nog geheel empirisch is, zullen wij echter voorloopig laten rusten en aannemen, dat ik in het geheel niet bestaan heb.

Maar dan kan ik mij over den oneindigen tijd na mijn dood, waarin ik niet zal bestaan, troosten met den oneindigen tijd, waarin ik reeds niet bestaan heb, als een goed gewenden en waarlijk zeer gemakkelijken toestand.

Want de oneindigheid a parte post zonder mij, kan evenmin verschrikkelijk zijn, als de oneindigheid a parte ante zonder mij, daar beiden zich door niets onderscheiden dan door het tusschenkomen van een kortstondigen levensdroom.

Ook kunnen de bewijzen voor het voortbestaan na den dood evengoed in partern ante omgekeerd worden, en bewijzen dan het bestaan vóór het leven, zooals de Hindoes en Boeddhisten aannemen en waarin zij dus zeer consequent zijn.

Alleen Kant's idealiteit van den tijd lost al deze raadselen op; maar dit punt kunnen wij hier nog niet aanroeren.

Dit blijkt echter reeds uit het hierboven gezegde, dat, treuren over den tijd, waarin men niet meer zal bestaan, even dwaas is, als het dit zijn zou om te treuren over den tijd, waarin men nog niet geweest is, want het blijft geheel en al onverschillig, of de tijd, welke ons bestaan niet vult, zich verhoudt tot dien, welke het vult, als toekomst of verleden.

Maar zelfs afgezien van deze beschouwingen over den tijd, is het op zichzelf een ongerijmdheid, het niet-bestaan als een