is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is; daarom houden de hersenverrichtingen op; eenige afscheidingen, de ademhaling, de pols, en de warmte-ontwikkeling verminderen.

Hieruit moet men besluiten, dat het algeheele ophouden van het levensproces, voor zijn drijvende kracht een verwonderlijke verlichting moet zijn; misschien heeft dit eenig aandeel aan de uitdrukking van zoete tevredenheid op het gelaat der meeste dooden. Werkelijk moet het oogenblik van sterven gelijk zijn aan het ontwaken uit een zwaren, onrustigen droom.

Tot nu toe is het ons gebleken, dat de dood, hoezeer hij ook gevreesd wordt, toch eigenlijk geen ramp kan zijn. Maar dikwijls schijnt hij zelfs een geluk, een gewenscht iets, een welkome vriend.

Alles wat terugstuitte op onoverwinnelijke hinderpalen voor zijn bestaan of zijn streven, alles wat aan ongeneeslijke kwalen of ontroostbare smart leed, heeft als laatste, meestal zichzelf voor hem openende toevlucht, den terugkeer in den schoot der natuur, waaruit hij, evenals al het overige, voor korten tijdis opgestaan, hiertoe verleid door de hoop op gunstigere voorwaarden van bestaan, dan hem ten deel waren gevallen, en waarnaar dezelfde weg steeds voor hem open blijft.

Deze terugkeer is de cessio bonorum van den levende; maar hij wordt pas aangevangen na eenen metaphysieken ofmoreelen strijd, zoozeer huivert iedereen er van, terug te keeren, vanwaar hij zoo gemakkelijk en zoo gaarne voortkwam, namelijk tot een bestaan, wat zooveel lijden en zoo weinig genot heeft aan te bieden.

De Hindoes geven aan den god des Doods twee gezichten; één, zeer vreeswekkend en verschrikkelijk, en één zeer opgeruimd en goedaardig. Dit wordt ten deele reeds verklaard door de zooeven gedane beschouwingen.

Met betrekking tot het empirische standpunt, waarop wij nog steeds staan, dringt zich ook de volgende beschouwing als vanzelf aan ons op, welke daarom verdient, door uiteenzetting nauwkeurig bepaald en binnen haar grenzen beperkt te worden.

De aanblik van een lijk toont mij, dat gevoeligheid, prikkelbaarheid, bloedsomloop, voortplanting, enz. opgehouden hebben. Ik besluit hieruit met zekerheid, dat datgene, wat dit alles tot dusverre in gang bracht, altijd iets onbekends voor mij geweest is, dat het (deze functies) niet meer in gang brengt, en dns uit het lijk geweken is.

Zou ik hier nu bij willen voegen, dat dit juist datgene geweest moet zijn, wat ik als bewustzijn, en dus als rede (ziel)