is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier woorden drie fouten aanwijst en bijna „potjeslatijn" genoemd zou kunnen worden, en voor Cicero althans onverstaanbaar zou zijn.

In goed latijn zou hier moeten staan: Litteris recuperata libertate civitas, en inderdaad zou het te wenschen zijn, dat dit opschrift op een goeden morgen in alle stilte op de plaats van het tegenwoordige werd aangebracht, opdat voortaan niet iedere geleerde die de Bibliotheek binnengaat, op haar drempel, tot een glimlachje of een schouderophalen gedwongen worde. Drie dagen lang zou de stad over deze verandering overeind staan, maar de eeuwen zouden een waardiger opschrift lezen.

In niet geringer mate wordt dit vertrouwen aan het wankelen gebracht, wanneer ik in de verzameling van Stiidel, die ten koste van zoo groote sommen werd aangelegd, de voortreffelijke gips-afgietsels geplaatst zie in twee zalen, waarvan de eene roode, de andere zelfs oranje-muren heeft: dit bewijst niet alleen een volslagen gebrek aan smaak, maar is zelfs barbaarsch, een oogenbederving voor den leerling-teekenaar, een marteling voor ieder gevoelend mensch, en dit in de vaderstad van Goethe, die zich over het oranje zoo duidelijk uitgesproken heeft in zijn kleurenleer § 776.

Ik heb vernomen, dat de uitvoering van het gedenkteeken opgedragen is aan Thorwaldsen, van welken uitstekenden kunstenaar ongetwijfeld het beste te verwachten is; maar het ontwerp van een gedenkteeken, dat volkomen strookt met de bedoeling, den geest en het onderwerp alsmede het vinden van zijn opschrift, zijn toch eigenlijk geen beeldhouwerswerk.

Wanneer echter het gedenkteeken eenmaal uitgevoerd is, zal het altijd onveranderd blijven en in den loop der eeuwen de kritiek van vele duizenden ondergaan, waaronder ereenige zullen aangetroffen worden, die niet over het hoofd zijn te zien.

Deze overwegingen, gepaard aan de opmerking dat er van geleerden in den eigenlijken zin des woords slechts weinigen in Frankfort wonen (waarom menigeen gevaar zou kunnen loopen, de volgens een plaatselijke uitdrukking aldus genaamde letterkundigen met hen te verwarren), geven mij aanleiding te gelooven, dat, ondanks geld en Thorwaldsen, een op goede gronden steunende raad in deze zaak wellicht niet van nut ontbloot zou zijn; daarom veroorloof ik mij, niet in het belang van Frankfort (want dit gaat alleen zijn burgers aan, en is voor vreemdelingen een volkomen vreemde zaak), maar in het belang van Goethe en van den goeden smaak, het geëerde comité zulk een raad voor te leggen, ofschoon ik