Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„... Dit vind ik zoo te waardeeren in Van Eckeren: zijn volhardend, gewetensvol werken, blijkend uit bladzij na bladzij, waardoor zyn boek als iets massiefs wordt, gedocumenteerd door studies naar het leven. Dit is geen vluchtig gefantazeer met romantische willekeurigheden — dit is de ernstige, degelijk doorwerkte arbeid van iemand, die ziin talent voortdurend ontwikkelt. Hij hoeft de door hem weer te geven werkelijkheid bestudeerd en doorvoeld, en weet nu de details zoo te groepeeren tot harmonisch geheel, dat ook de lezer meeziet en meevoelt. In die schilderingen van den arbeid, in forschheid van opzet, maar nog niet in epische breedte aan Van der Vijgh herinnerend, zien we het tastbare bedrijf van alle dag, het gewerk van zandgravers, zandkraiers en -kruisters in de barre, dorre duinen, als een brok leven. Belangrijk voor wien het belangrijke er van weet te doorgronden, en dubbel belangrijk als die doorgronder een artiest is.

En dat toont Van Eckeren zich in dit boek. Hij weet onze belangstelling te wekken voor dat sjouwende, slovende volk, als nomaden in tijdelijke woningen, houten keeten gehuisvest, ruw, onhebbelijk, verdierlijkt, hardvochtig, levend hun bestaan van dag tot dag met den Zondag als oase in de woestijn van altijd hard werken. Hij siert dat bestaan niet op met een idealistisch kleurtje, hij geeft het hard en reëel, zonder eenige sentimentaliteit. Maar daardoor juist voelen we hoe zuiver zijn eigen sentiment voor die werkelijkheid geweest is: hoe hij ze heeft waargenomen, bespied, afgeluisterd, die ruwe werkers, met de liefde van hem, die kénnen wil en niet ten halve kennen —

In vele opzichten heeft hij een soberheid betracht, die veel indruk maakt. Zoo is de geschiedenis van dat teringljjdertje, het jongste kind van het dronkaards-gezin, zonder eenige sentimentaliteit behandeld. En juist daardoor is ze aangrijpend.

Den laatsten tijd van zijn kwijnend

leventje ligt hij haast altijd te bed: stil té kijken naar het bewegen der anderen. Kwaad was het voor hem als zijn moeder moest wasschen, en de heele keet vol damp hing. Dan kreeg het kereltje het doodsbenauwd soms, moest benepen hoesten, tot er bloed aan zijn hemdje kwam. Ook was hü 's nachts wel eens wee van de zoetige jeneverlucht, als zijn oudste broer naast hem in bed lag. Op een morgen dat die over hem heen uit bed wilde stappen, en bij ongeluk met zijn voet langs 't gezichtje raakte, was dat ijskoud, 't Ventje was dood.

Aangrijpend ook is de kleine tragedie die Kote doorleeft, Kote, de stoere zoon van een koddebeiersweduwe en die liefst wat meer wil worden dan zandkruier. Hij past goed op en 't schijnt te zullen lukken. Hij zal bij een machine geplaatst worden: 't geest-doodende werk is voorbij. Maar 't duurt niet lang. Voor machinist kunnen zwakkere krachten gebruikt worden. De directeur plaatst hem, met zijn sterke armen, weer bij de gravers, 't Is geen wereld-schokkende gebeurtenis, 't is zoo alledaagsch mogelijk, maar voor Kote is het dè groote teleurstelling in zijn leven. En dat doet de schrijver ons voelen.

Bizonder goed ook is het milieu gegeven: de natuur zoowel als de samenleving waartusschen het gebeurende voorvalt..."

(W. G. van Nouhuys in Het Vaderland).

„Bijna immer is hij sober-goed, eenvoudig-raak, waar 't beschrijvingen geldt, een moment-impressie van duinland, die in menigte (en altijd goed)

in 'tboek voorkomen Hetduinland

is er in persoon, en dat is in een Hollandsch stuk litteratuur geen geringe verdienste..

(Frans Coenen Jk. in De Kroniek).

Sluiten