is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die des daags, in onophoudelijk kreungeratel van hun wielen, naar zee en weêr naar 't dorp rijden, 't Loopt langzaam-glooiende de hoogte op, tot aan den ingang van het dorp. Dan, bij het witte kerkje, buigt het naar rechts en gaat weer 't duin in, naar een open plek, waar de schelpen worden uitgestort op groote hoopen, om later weer op wagens verder landwaarts in vervoerd te worden.

Lang heeft de rosse gloed van den hemel het helle pleisterwerk van 't kerkje bestraald, als stond het heele gebouw in lichtelaaie.

„Kiek, kiek, de kark brent " zeiden de dorps-

joggies, de blauwe, droomende oogen naar den spitsen toren, hun teerbruine knuistjes in traag-langzame wijzing naar boven, 't Was of ze vermoeid waren, die joggies; 't was of alle menschen in het dorp vermoeid waren, vermoeid van te veel licht en lucht en aether....

Een schemer vaagt nu meer en meer over de zwartroode daken van het dorp, sluipend onzichtbaar door de dorpsstraat heen, waar, nu het Zondagavond is, de visschers met hun vrouwen en meisjes heen en weer slenteren, den geheelen avond al geslenterd hebben, van de witte kerk op den heuvel tot „De Gouden Schelp" in de laagte, 't laatste huis van 't dorp.

Loom, labberlottig in hun breede vormelooze schoenen, sloffen zij, de stoere lijven onbeholpen bewegend in hun stijve Zondagsspullen, de breede monden lurkend om hun pijpje, hun trouwe lobbes-oogen starend voor zich heen.

Zwaar en log, in den omslachtigen omhaal van hun