Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan't benedeneind der dorpsstraat intusschen, in „De Gouden Schelp", zijn de lampen aangestoken. Een vaag, wazig licht beschijnt de groote vierkante gelagkamer, een leêge, kille ruimte, met aan de kanten, tegen de zwartige kleffe muren, tafeltjes en stoelen. Maar in het midden gaapt een open plek vloer, grauw-smoezelig te voorschijn komend van onder een schraal laagje wit zand.

Achter in het zaaltje, waar het nog half donker is, glimmeren flauwtjes de flesschen en karaffen van 't buffet en fluisteren gedempt de stemmen der waardin en haar dochter, over de laatste kermis, in stad.

En de waardin: dat de sjaal die ze gekocht had toch wel goed góed was, stevig en toch mooi voor den Zondag tegelijk dan haar dochter: dat-z'-er-nog-nie-an-

woü en dat ze geloofde dat die rooie, moeder-wist-welmet-die-witte-figuurtjes, dat die toch sterker was

Loom, zooals ze daar buiten gewandeld hebben, komen ze nu langzamerhand naar binnen. De stoere mannelijven even buigend in de lage deur, de vrouwen statig binnenzeilend in gesleepruisch van hun rokken over den kalen, houten vloer.

En telkens komen meer, mannen, vrouwen, jongens en meisjes, en zetten zich op de stoelen om de tafeltjes aan de kanten, plat-inéens neer.

En fluisterend praten ze, de wachtende kamerruimte in het wazig grijzige licht vullend met een duf gefluis-

Sluiten