Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zat, achterover geleund tegen den steenen muur van t huisje, spelend met een grooten, krulhangen hond. En leunhangend tegen 't raamkozijn, breed-zwaar behaaglijk met zijn heele lichaam, stond Steven, haar broer, en zag toe.... In den zilveren kring van maanlicht zag hij hoe haar lenig bovenlijf zich bewoog, links, rechts, naar vooi, naar achter, hoe haar handen stoeiend woelden in het dichte haar van den hond en hoe hatir oogen lachten, en hij hoorde in haar keel kleine, giegelende geluidjes gorgelen van pret.

De hond lag met zijn voorste pooten op haar schoot en dol, in uitgelaten knorren, groef hij zijn koP in haar kleeren en beet en trok, dan even door een afwering deinzend, om dadelijk weer aan te vallen en te woelen met zijn pooten en te graven met zijn ruigen kop in haai schoot.

En zij lachte maar, met die klein-gezellige geluidjes als van klokjes in haar keel, en ze pakte het dier beet, met beide handen, en schudde het, schudde het als een ondeugend kind en drukte het tegen zich aan, uitgelaten —

De jonge visscher keek er naar met droomerige oogen en beproefde zijn gedachten er naar toe te trekken; maar 't was of die, vreemd, telkens terugsprongen, om weêr te blijven stilstaan bij waar hij al over soesde zoo lang zijn zuster met den hond aan t spelen was....

Koen, Koen waarom woü die naam van avond dan

toch niet uit zijn hoofd, wat had-ie dan toch vanavond ? Was het omdat Anna straks gesproken had van dien jong, — dat ze met 'm kermis houden ging en dat ze

Sluiten