is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste zonneglans, een flets-oranje veeg nog van licht aan de Wester-kim, is nu verdwenen en de bleeklichtende streep,, die hij aan den gezichteinder over de zee trok, saamgedonkerd met het grauwe zeeëoppervlak. Daarboven, koepelend in violette bogen naar alle kanten weg, de hemel, als een droom van oneindigheid.

Rustig-zeker straalt er de maan, met daar om heen gestrooid, als korrels wittig goud, de staag-bevende sterren; een kleine onrust in de groote rust. En aan de branding kleine blauw-groene lichtpuntjes, zich uitristend tot transparante lichtreepen, die voortrollen naar het strand, over de heele breedte der zee, oplichtend even, helsch-groen feestend over 't donkere watervlak, en dan weer krimpend, afbrokkelend aan de uiteinden tot het

ééne puntje licht, dat weer uitsliert wêer krimpt

uitsliert en krimpt

Als starend met doffe oogen strak-vooruit, staan aan het stille strand de stille duinen

Vreemd, terwijl hij haastig over de duinen was voortgeloopen naar de zee toe, hadden, met het dansen van zijn lichaam over heuveltjes en kuilen, de gedachten in zijn hoofd gedanst, met daar doorheen het lachen, dat

hem aangedreven had steeds sneller, sneller

Nu, dat hij op het effen strand gaat, wordt zijn denken wêer kalm en vlak. Maar des te beter voelt hij thans het schrijnende van door zijn zuster te zijn uitgelachen En toch O, die Koen. hij zou hem kun-