is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't laag, zwart-berookt vertrek, onder 't blauw-gelig schijnsel van een vetlampje, zitten ze om de tafel bij de lèege haardstee: de oude Klij, een afgeleefde grijsaard, knikkebollend boven 't net dat hij bezig is te verstellen, en Leentje, Koens zuster, vlug-handig knoopend aan een nieuw.

„G'n oavend" zegt Koen als hij binnentreedt.

„G'n oavend jong, gie zint loat," antwoordt Leentje, even 't hoofd oplichtend van haar werk.

De oude knikkebolt maar door, zonder bemerken.

En Koen, 't oog strak op zijn zuster gericht, heel luid, om ook door zijn vader verstaan te worden: „Loat? k Meg nog van glok spreken, da'k ens gehêl hier zin."

„Da' gie ens gehêl hier zint?" zegt Leentje. Haar zeeblauwe oogen zien hem verwonderd aan.

De oude knikkebolt nog sterker; zijn rimplig hoofd zwikt links en rechts op de magere halsspil.

En Koen, steeds luider: „Ik zin angevallen. Roai nou ens door wie?" Dan Leentje verschrikt: „Gie? Angevallen? En door wie?? "

„Door Steven," zegt Koen heel bedaard, met toch een vreemde rauwheid in zijn stem. Zijn vader, bij den haard, schrikt even op in zijn stoel.

„Hie had 'n mes ien z'n hand," vervolgt de jonge visscher, „en as ik 't niet juust ter tied gegrepen had, was ik zóó gewest...." Hij maakt een beweging naar zijn keel en dan: „Kiek hier...." houdt hij Leentje zijn linkervuist voor, waar, een dun streepje bloed, over den duim een kleine schram loopt.