Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hie!? 'tls onmeuglik!" heeft 't meisje uitgeroepenen de oude visscher, als ineens ontwaakt, stamelt na: „onmeuglik "

„Ik zeg oe dat Me 't gedaan het " houdt Koen

staande, en dan, fluisterend-geheimzinnig: En 'k wêt ook hjst woarumme .,.

Leentje antwoordt niet en 't is nu de oude, die vraagt: „Woarumme den?"

En nu, nog zachter, Koen: „Omda'k wol wêt, wie

iederen oavend bij Mie Korst zit "

Een zachte kreet van't meisje volgt die woorden, en de grijsaard met weêr langzaam spillend hoofd: „Die

jong, die jong Mie Korst, dat vrouwminsch! "

Koen heeft den kreet van zijn zuster gehoord en even keert hij zich om, een zegevierende flikkering in zijn dreigend oog

Nu is het weêr avond.

Een even-schaduwing over een zonnend veld was het geweest, in het begin. Maar toch had de dijk van den ochtend af vol visschers gestaan, die, de hand boven 't oog ter beschutting voor het felle zonnebranden, getuurd hadden naar den horizon, met bekommerde gezichten.

En langzaam waren ze opgekomen, tegen den middag, legers van wolken, onmerkbaar bijna schuivende vooruit over de kalme zee aan, maar dreigend

Op den dijk was het een stilte van afwachting onder de mannen, in de brandende zon. Stoer en bonkig, forsche

Sluiten